La Licorne

CATALOGUE

DE HEKS VAN BOKHOVEN

DOOR

WALTER BREEDVELD

(illustraties van Karel Thole)

(uit Zonnewijzer, Almanak voor het Katholieke gezin, 1940,

Uitgeverij Het Spectrum - Utrecht)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

IE VAN BOKHOVEN ZIJN VAN OUDS EEN VRIJHEIDSLIEVEND V0LKJE GEWEEST. AL IS HUN DORPJE KLEIN, HET LIGT ER ALS EEN VRIJE HEERLIJKHEID AAN DE BOORDEN VAN EEN MAJESTEITELIJKE STROOM EN HET ACHTERLAND VAN GULLE ZWARE

brood van het land; dan zijn de bloeiende aardappelvelden een lust voor het oog en het gewin later een streling voor de smaak ook van den meest verwenden fijnproever; dan zit de zuurkool in Augustus secuur onder de pekel om alreeds in September, als de pastoor open tafel geeft voor de eerwaarde begeleiders der beevaartgangers, die komen bidden bij St. Cornelis, onverdeelde bewondering en waardering te verwerven. Het beste brood, de beste aardappelen en verse zuurkool in begin September reeds, het zijn voortreffelijkheden, die alleen een heerlijkheid schenken kan.

Die van Bokhoven zijn traag, maar niet lui of vadsig. Zij zijn ernstig, maar welgemoed, allen Rooms en zeer godsdienstig, maar een kwezel zoekt men er vergeefs. Ze praten graag, maar kwaadspreken ligt ver beneden hun gevoel voor netheid en zorgvuldigheid. Maar praten kunnen ze met een wonder gemak en eindeloos, niet voor niets hebben zij hun kakelveld waar vroeger in de grafelijke tijd rechtspraak werd gehouden in de open lucht. Daarnevens hebben zij hun singel- welk dorpje van driehonderd zielen heeft een singel? - een laan van hoge Canada's, een stram onwrikbaar dubbelgelid van stoere wachters voor de schamele burchtruïne. Onder het lommer dier bomen is het een waar genot te kunnen keuvelen en als de lucht, zwaar en zwoel van zomerzon de ogen drukt en het woord vertraagt, dan duiken ze in het beschaduwde groene gras en houden hun siësta.

Ze hebben meer nog dan hun kakelveld, singel en burchtruïne: de kerk, antiek juweel, waarin zoveel schoons de herinnering aan vervlogen dagen levendig houdt, bovenal het onvergelijkelijk mooie grafmonument van hun vroegeren heer graaf Engelbert van Immerzeele en zijn gemalin gravin Helena van het Franse geslacht der Montmorency's, gebeiteld door den Antwerpsen meester, Aert Quellinus, dezelfde die door Jacob van Campen naar Amsterdam geroepen werd om het paleis op de Dam met zijn prachtige kunst te versieren. Zij menen te weten dat de heren van het provinciaal genootschap uit Den Bosch - het is hen te vergeven - wel eens de handen jeuken van verlangen, maar daarvoor knippen zij niet eens met de ogen; het grafmonument behoort

370

grond is van een bijkans onbegrensde wijdheid. Die grond behoort sedert eeuwen voor een groot deel aan de parochie, de hoogeerwaarde Abt van de Abdij van Berne is hun landheer, zij zijn de pachters slechts, afhankelijke lieden. Zo staan de zaken volgens de letter van de wet, maar de letter verstaan zij niet, te beter de geest: het dorp, de grond, de kerk en de pastoor is van hen.

Velen staan bij den pastoor in het krijt, maar wat geeft het als men bij zichzelf in het krijt staat? Als de oogst goed is betalen ze graag de pacht, maar als een late vorstperiode de yelden plaagt, of een al te felle zon het land verbrandt, dan is het nog geen miserere; dan schrijft de landheer de pacht op het houtje, wat zou hij anders doen. De grond is gul en zwaar, als weer en wind niet balsturig zijn en Gods zegen met hen is dan groeit de tarwe welig en sterk, de tarwe voor hun Bokhovense brood, het beste

p 369

"Hij hield hen voor: "Gij kunt op deze wijze niet voortgaan. . ." (bIz. 372)

 

bij bet graf, nergens is het beter bewaard dan in hun kerk, onder de hoede van hun pastoor.

Maar al hebben zij zoveel schoons en eerbiedwaardigs, zij hebben meer verlóren. Behalve de boten, die in September de beevaartgangers brengen, leggen er niet veel schepen meer aan. De wispelturige Maas, die de zware kleigrond vormde, is nog wel een onmisbare vriend, maar een vriend die geen gewin meer brengen kan. Geen doorgangswegen leiden langs hun dorp, geen vreemdeling zoekt hun stee. Een smalle Diezeweg naar Den Bosch met een nog smallere polderweg naar de Haarsteeg, daarmee alleen zijn zij verbonden met de wereld en over deze wegen gaan niet veel mensen. Hun dorp is verengd, verstild, het groeit niet meer, het teert op vergane roem en glorie. De sfeer daarvan houden zij echter krampachtig vast en hun kinderen groeien er in op.

371

Er is meermalen door van andere geest bezielde mannen gepoogd hen uit hun dommelende vredigheid te wekken. Zo zocht in de zestiger jaren een energiek vooruitziende pastoor naarstig naar middelen om meer vertier en beweeglijkheid in het dorp te brengen. Hij hield hen voor: "Gij kunt op deze wijze niet voortgaan, uw dorp gaat eraan, onherroepelijk. Ik voorzie dat straks uw dorp geheel geïsoleerd zal worden, dan sterft het uit en verdwijnt roemloos. Dat zult gij toch niet willen, trotse Bokhovenaren?" Neen, dat wilden zij niet, maar er was toch geen enkele reden de toekomst zo donker in te zien. Het liep allemaal op rolletjes, zij waren heel niet ontevreden. Maar als de pastoor dacht het beter te weten wilden zij gaarne luisteren.

Toen zei de spontane herder: "Gij moet werken! werken! Een handwerk moet gij leren. Ik zal wevers en andere ambachtslieden hierheen halen, zij zullen u leren werken; het getok van snelle spoelen, van links naar rechts van rechts naar links door de weefstoel, moet in de huizen klinken als een rhythmische zang van vlijtige gestage arbeid. Daar is zoveel schoons in en het brengt leven, vertier en brood voor uzelf en uw kinderen."

De mannen luisterden geduldig en daarna gingen zij deze duistere geweldige zaak bespreken. Al pratend kuierden zij de Vergereindse steeg af om aan het eind een ogenblik te toeven in een glooiing in het weiland waar eens het klare rustige kringwater een trotse burcht omzoomde. Zij keerden terug door het driekoningenstraatje om in de herberg "De drie Koningen" hun dorstige keel een lafenis te schenken. En later werd de nieuwigheid weeral ter spraak gebracht op de singel en het kakelveld totdat ze moe het onvoltooid gesprek verdaagden om in het koele gras een uiltje te gaan knappen. De nieuwigheid is doodgebloed, geen dier mannen uit de zestiger jaren heeft de rhythmische zang der spoelen vernomen en ook heden ten dage is er geen die er de klank van kent. Waarvoor ook? Waarvoor hebben zij dan hun vette weiden en guIle akkers, zij zijn geen keuterboertjes uit een armzalig schrale streek. Leven? Hun dorp is klein, maar het leven is er heerlijk in de bezonken rust. Vertier? De ouderen ligt het geluk op het gelaat en hun kinderen hebben een onafzienbaar speelveld om te

372

stoeien en ravotten. Brood? Zij hebben het beste brood van het land en in overvloedige hoeveelheid.

Van alles hebben zij, maar hun heks zijn ze kwijt, voor goed, de laatste heks van Bokhoven is normaal vreedzaam gestorven, want het was feitelijk geen rasechte heks. Vroeger hebben zij die zeker gehad, welke heerlijkheid had in de glorievolle tijden geen heks? Hun laatste heks was al niet meer dan een schamel surrogaat der giftige leden van het oude roemruchte gilde. Lange jaren hebben zij haar minzaam vertroeteld, heel zuinig zijn ze er op geweest, maar 't heeft niet mogen baten, zij is ter ziele gegaan.

Trui heette ze en het kot waar ze woonde staat er nog. Ze was stinkend vuil, maar wie neemt dat een heks kwalijk? Hier of daar liep er een kronkel door haar hersens, maar helemaal onwijs was zij allerminst. In de kerk kwam ze niet meer, die Christenplicht was uit haar begrip geschoven, maar wel kwam ze elk jaar, zoals elk goed burger, haar cijns betalen aan den pastoor. Steevast schonk ze hem twee pootjes van het pas geslachte varken. Ze bracht ze niet in een schone handdoek zoals het behoort, maar droeg ze naar de pastorie in de diepe zak van haar wijde rok.

,;Allez, voor den eerwaarde." Meer woorden kwamen er niet aan te pas en voordat Rika de meid kans kreeg haar te bedanken was ze weer verdwenen. Aan de pootjes te zien was het varken zwart van huid geweest en als de meid op bevel van meneer pastoor - die ook háár simpele gave waardeerde - moest proberen ze schoon te schrobben, dan zei Rika: , ,Ja zeker, meneer pastoor," en toog op pad naar blanke remplacanten. De pootjes van Trui waren goed voor de honden, meende zij, maar Rika, die van Ammerzoden kwam, vergiste zich: geen enkele Bokhovense hond wilde ze vreten. De hemel weet waar ze tenslotte terecht kwamen, maar meneer pastoor toog telken jare in blanke on- schuld naar Trui om haar te zeggen: "Rika heeft jouw pootjes in de erwtensoep gekookt, Trui. Ik heb er heerlijk van gesmuld, gij zijt wel bedankt."

"Da's braaf, eerwaarde, volgende slacht krijgt gij ze weer." Haar behoeften waren gering, maar haar inkomsten veroorloofden haar niet meer dan een zeer sober leven. Bedelen deed ze

373

"welke heerlijkheid had in de glorievolle tijden geen heks?" (blz 373)

 

niet, zij leefde van hetgeen lichtgelovige mensen haar gaven als zij voor hen de kaart legde, of de toekomst las uit koffiedik bij het spookachtige licht van een walmend olielampje. Aan de Bokhovenaren verdiende zij het zout in de pap niet, eerstens was hun aard in tegenstelling met zulk duivelswerk en bovendien had de pastoor het streng verboden. Ook Trui onderhield hij erover met ernst en waardigheid: "Het is een schande voor Bokhoven, Trui, dat gij je met zulk onzalig werk bezighoudt. Al hetgeen gij nodig hebt zult gij krijgen, maar dat moet uit zijn, Trui." Zij trok er zich geen zier van aan en de strijd tussen den pastoor en Trui kreeg nooit een einde. Zij bezat nu eenmaal de gave van het

374

voorspellen der toekomst en de pastoor deed beter zich met zijn eigen zaken te bemoeien. Als die van Bokhoven van haar gunsten geen gebruik mochten maken, in de dorpen in de omtrek wist zij de mensen wel wonen, die haar bij tijd en wijle gaarne zagen komen. Maar ook van Den Bosch en andere plaatsen kwamen ze naar haar kot om het orakel te vernemen.

Een enkele Bokhovenaar, die in zorgen zat, klopte wel eens bij haar aan. Niet vaak, maar als het gebeurde was het haar groot genoegen den pastoor ermee te plagen: "Gij denkt da ge ze allemaal onder je hoedje hebt. Mis, eerwaarde, 'k heb er weer een op bezoek gehad."

"Trui, gij maakt de mensen ongelukkig met je fratsen. Wie was het?'

"De naam staat in het grote hoek bij den burgemeester, eerwaarde." Dan lachte zij haar heksenlach en sjokte verder. Haar knoestige lange loopknuppel tokte op de stenen en vormde met de stap van haar spijkerbeslagen schoenkisten een irriterend-monotone driekwartsmaat.

Op mooie zomeravonden deed de pastoor wel eens een late wandeling door het dorp en altijd richtte hij zijn schreden achterom de stolp van Trui met de heimelijke hoop er eens een op heterdaad te kunnen betrappen. Honderdmaal en meer was zijn tocht vergeefs geweest, maar eindelijk op een avond had hij geluk. Een manspersoon kwam uit de hut van Trui geslopen, de handen in de zakken, het hoofd in de schouders gedoken. Hij liep in de richting van den pastoor en deze wilde zich snel terzijde stellen om hem vanuit het beschuttende duister goed te kunnen opnemen. Maar die handeling werd hem noodlottig, want de man zag het in snelle reflex en herkende in het bleke maanlicht aanstonds het witte habijt van den Norbertijn. Schielijk wendde hij zich om en beende naar het reddende achterland. De pastoor keek hem na, maar zijn oude ogen zagen den man niet duidelijk. Jammer, jammer! Toch meende hij aan de figuur en het lopen van den man te zien, dat het Fried van der Leeden was, maar volkomen zekerheid had hij niet.

Nu was de pastoor een fameus imitator, een virtuoos in het na-

375

 

bootsen van andermans gang en manieren. Alle Bokhovenaren wisten dat en beleefden er bij tijd en wijle hun pleizier van, want de pastoor was er helemaal niet achterbaks mee. Hij wilde zijn talent benutten om den schuldige vast te stellen, haastig ging hij naar huis en riep de meid.

"Rika, ga daar staan en zeg mij wie hier loopt." Er veranderde iets aan den pastoor, zijn voeten schuifelden, het gelaat kreeg een bijzondere uitdrukking. Meteen dat hij began te lopen riep Rika luid lachend: "Schei maar uit, meneer pastoor, 't is Fried van der Leeden. Zo precies als stand hij hier in eigen persoon voor mijn ogen."

De pastoor gloriëerde: Ik dacht het, Rika. . . zo'n domoor."

"Wat is er dan met Fried, meneer pastoor?"

"Hij is bij Trui geweest, ik zag hem, maar. . . " Hij schrok van

haar uitroep: "Mijn hemel als Fieke dat wist. . . !" Toen begreep de pastoor dat hij zich versproken had, bijna dreigend kwam hij op Rika af:

"Gij houdt je mond tegen Fieke! dat maak ik wel in orde." Rika beloofde het in vele toonaarden, maar een dag later was Fieke van den Broek volledig op de hoogte gebracht. Het meisje was er totaal van overstuur. Nu was alle kans verkeken dat het tussen Fried en haar in orde zou komen, want een jongen, die in het donker naar de kaartlegster ging, kon nooit haar man worden. Waarom deed hij zoiets? waarom sprak hij zich niet uit? zij had al zo vaak te kennen gegeven dat ze hem graag mocht. Zo was het inderdaad, maar Fried begreep het niet. Hij was zo vol van Fieke, het mooiste meisje van Bokhoven en uren in de omtrek, dat hij nergens anders aan dacht. Heel graag wilde hij haar vragen, maar durfde niet; hij was bang dat ze ]an van Hemert uit Hedikhuizen, die dag en uur in Bokhoven lag, liever zag. Fried was een beste jongen, maar een weinig sentimenteel en dromerig van aard. Urenlang lag hij ooit op de Maasdijk naar het water te turen en dacht aan Fieke, alleen aan Fieke. Zijn gevoelens wisselden met de stemmingen van de Maas. Als de zon prachtig op het water stond en de brede stroom een feest van kleur en licht werd, dan gevoelde hij zich in staat bergen te verzetten. Maar op triestige

377

dagen, of als er onweersbuien boven het water dreven, gromde en spookte de rivier en zag ze grauw van kwaadaardige nijd. Dat, sloeg aanstonds op hem over en hij werd de angstige verlegen jongen, die met zijn moeilijkheden geen raad weet. Dat duurde zo tot de gedachte hem kwam besluipen Trui te raadplegen. Lang verzette hij zich tegen dat duivelse denken, maar' t werd erger, steeds heviger, tenslotte gaf hij toe, hij kon niet langer weerstand bieden.

Spijt had hij ervan als haren op zijn hoofd. Eerstens had dat ellendige wijf maar zo'n beetje zitten fantaseren waar geen verstandig mens een touw aan vast kon knopen en daarbij kwam dat het heel goed kon wezen, dat de pastoor hem herkend had. En jawel, reeds een paar dagen later zei z'n moeder hem dat hij bij meneer pastoor moest komen. Hij deed het niet, niets of niemand ter wereld kon hem er toe bewegen, hij schaamde zich dood. Nog erger werd het toen hij Fieke ontmoette. Zou zij het weten? dat kon niet! Maar toch, toch, Fieke negeerde hem, zonder op te zien liep ze hem voorbij. 't Was uit, finaal uit; Fried was er half kapot van. Dat hij toch niet wijzer was geweest, maar het was toch ook niet fraai van den pastoor om het aanstonds te gaan overbrieven.

De pastoor vond het vreemd dat Fried niet kwam, maar terecht meende hij dat de jongen begreep waar het over ging. Goed, als Fried niet bij hem wilde komen, dan zou hij naar Fried gaan, maar de eerste dagen was de jongen in geen velden of wegen te zien. 't Was niet zo erg, de pastoor kon wachten.

Maar wel ontmoette hij Trui en stevende op haar af: "Hou je mond maar, Trui, ik weet dat gij bezoek hebt gehad en ook van wien. Wat heb je dien jongen op z'n mouw gespeld?"

"Als gij alles weet zult ge dat ook wel weten, eerwaarde." En toen hij verbluft niet aanstonds antwoordde lachte ze:

"We krijgen feest, eerwaarde, bruiloft!"

"t Is schande, Trui, je moest je schamen; door jouw schuld wordt die jongen doodongelukkig."

"We krijgen feest, eerwaarde, bruiloft!" Het is niet bekend of de pastoor Fried spoedig te pakken kreeg,

378

 

,,'t Vo1gend jaar met de lente zijn Fried en Fieke getrouwd. . ." (bIz. 380)

 

maar wel staat het vast dat Fieke na die avond geen rustig uur

meer beleefde. De hele dag dacht ze eraan. Die lompe, domme jongen, ze kon hem niet meer luchten of zien. Drie dagen hield ze dat vol en toen kwam de twijfel al. Zou het wel waar zijn? Fried was toch zo'n degelijke jongen. Als meneer pastoor zich nu eens vergiste, 't was avond toen en de pastoor z'n ogen zagen niet zo scherp meer. Met den pastoor durfde ze er niet over praten, dat kon ze niet doen om Rika. Wel kon ze het Fried

379

zelf vragen, op den man af. Maar als het niet waar was zou haar wantrouwen hem veel pijn doen, Fried was zo gevoelig. En als het wel waar was en hij bekende het niet, wat dan? Neen, Fried kon ze er evenmin over spreken. Maar wat dan wel? Ze voelde hoe het antwoord langzaam in haar geest drong als een noodlot: alleen Trui kon ze het vragen. Ze rilde van de gedachte alleen, liever nog ging ze dood. Twee lange dagen ging ze liever dood, maar de derde dag kreeg de gedachte al meer vorm, nog een dag later werd het een plan en aan het eind van de week sloop Fieke ' s avonds met bonzend hart door het achterland naar de stolp van Trui. De heks lachte geniepig toen Fieke naar binnen schoof: "Wel wel, Fieke, ik had je al eerder verwacht. Wil je dat ik voor jou de kaart leg? Ik zou het graag doen, Fieke, maar de eerwaarde wil het niet hebben. Kom eens dicht bij me staan, meisje, kijk me goed aan en luister: zorg ervoor dat je morgenavond met schemerdonker aan het eind van de Vergereindse steeg bent. Daar moet je een kwartier blijven wachten. Waag het niet om weg te blijven, want dan maak ik van jou een kip met vier poten! En nou - vort er mee!"

De dag daarna wachtte Trui een half uur gaans van Bokhoven op de Maasdijk tot Fried met z'n gespan kwam aanrijden. Ze wenkte hem:

"Fried, kijk mij goed aan en luister: zorg ervoor dat je vanavond met schemerdonker aan het eind van de Vergereindse steeg bent. Daar moet je een kwartier wachten. Waag het niet om weg te blijven, want dan maak ik van jou een treurwilg!"

Fieke kwam en vond er niemand anders clan Fried. Een poosje waren ze stil, maar toen zijn ze aan 't praten en kussen geraakt zo dat de maan er voor achter een wolk is gekropen. Maar de Maas had die avond volop kuren. Zij sprong en stoeide als een kwajongen.

't Volgend jaar met de lente zijn Fried en Fieke getrouwd en toen zij heel gelukkig de kerk verlieten, stond Trui daar ook met haar lange loopstok. Maar zij had voor hen geen aandacht, ze stevende op den pastoor af: " 't Is feest, eerwaarde, bruiloft! Zulke zaken weet ik beter dan gij."

380

 

MORE ABOUT

The House

As a Monument

Its Noblesse

Bokhoven

 

©            

Key

Back to Master Page