La
Licorne
HOOG WATER IN
BOKHOVEN
door W Willems te Nieuwkuijk
overgenomen uit MGT 1956 pp 106 en
107
|
Ja, met dat water hebben we in Bokhoven heel wat afgezien
! De afwatering der rivieren was vroeger niet zo goed als tegenwoordig. Wanneer in de winter het water hoog stond, kon de Maas alles niet slikken en zat er niets anders op als het sas bij Hedikhuizen open te zetten
en de polder onder te laten lopen. Zo zaten we de helft van de tijd op een eilandje: rondom was overal water, zo wijd ge kont kijken. Tegenwoordig ziede na de peeentijd geen weg meer van de klei die van de tractorwielen haar beneden kletst, maar toen zaagde niks als water. Ge kon
niet in Den Bosch, Vlijmen Hedikhuizen of Haarsteeg
komen of ge moest er in een bootje naar toe varen. Van 1 november tot 1 april hadden ze het recht om
het sas open te zetten. Daarom rekenden we er op dat we voor die tijd met ons vee en mee ons hooi uit de polder waren. Ge
begrijpt, dat we mee de halve tijd de polder onder water, alleen maar hooi konden
verbouwen. Nu wordt in de polder van alles geteeld, maar vroeger was dat anders. Toen ik 20 jaar
was, kende ik geen rog uit terf! Hoe kon dat ook
anders. In Bokhoven teelden we geen koren en ik had het nooit in het veld
zien.staan. Als het water • erg hoog was, zag het er allemaal mooi uit. Zo is in 1880
het huis waar Hek Roeters in woont, met de stroom
meegedreven. Zoals ge nog in de muur ankers, die het getal 1880 vormen, kunt zien, is hét huis in
hetzelfde jaar weer opgebouwd. Na deze overstroming heeft men de weg 75 cm. opgehoogd. Zo werd veel ongemak verholpen want te voren stond het water dikwijls in
de huizen. Ik heb nog horen vertellen dat toen mijn grootvader Willem Versteeg bediend moest worden, Marinus van Mill de pastoor op zijn schouders naar binnen gedragen heeft. Want het water stond zo hoog dat ge
anders niet droogvoets in huis kon komen. Maar dat was in 1871, dus voor mijn tijd! In 1920 is er ook een flinke overstroming geweest. Ik weet nog, dat we
toen met eem stel in een bootje naar Lambert Vugts in de polder
(waar nu Frans Berkelmans woont) gevaren zijn om eens te kijken hoe ze
het daar maakte. Hij had houten blokken met planken erover in zijn huis gelegd. Zo konden ze
overal bij komen zonder natte voeten te krijgen, want heel zijn huis stond onder water. De klein mannen amuseerden zien best: die waren in de kolenbak
rond het fornuis schipke aan 't
varen! In 1926 toen het weer erg hoog water was, kon Lambert Vugts het
niet houden en is hij met zijn vee naar de zusters in Engelen getrokken die toevallig toen hun stal leeg hadden staan. Met het vee wisten we met hoog water ook altijd geen blijf. Er zat soms niets anders op als naar het hoogste punt van het dorp te gaan - dat was
bij de muur van het kerkhof - en daar van strooi en straat een schuurke te maken, waar we het vee konden stallen. p 106 |
Zo tobden we maar aan:
maar omdat jaarlijks gebruik was in Bokhoven om een tijd op een eiland
te wonen, wisten we niet beter. Toen had de
overstroming ook wel zijn goeie kanten: met hengel
en fuik was veel vis te vangen! En
daar hoefde ge geen eens ver voor te lopen. Het
viswater lag pal voor de deur.
En dan de jacht niet te vergeten. Als in de winter de polder bevroren lag,
waren daar wel-duizend watervogels, die met z'n allen grote wakken open
hielden. Ge kon dan over het ijs op jacht gaan. En d'r zaten zoveel eenden, dat ge er de vogel niet uitgeschoten kon krijgen. In de winter hadden ze
in Bokhoven veel vrije tijd. Wat was er immers te doen? Als ge het vee verzorgd had, waar de mee oew
werk klaar: voor de rest lag alles onder water.
Er werd dan ook veel gebuurt. Wanneer een koe moest kalven zaten direct een
heel stel boeren in de stal, nodig of nie nodig. Ze kwamen meer buurten als
helpen. Niemand had iets te verletten. Zo waren er eens een stel buurters achter de koei aan 't wedden geslagen. Het ging er om wie uit het
"krekelhuis" (lijkenhuisje) op het kerkhof een doodskop durfde halen. Hij kon daar een
half literke mee verdienen. Het was midden in de nacht en het ging een heel tijdje van "ik durf wel" en
"gij durft nie". M'n oom die er ook bij was,
kreeg zoveel zin in het half literke, dat hij ze
maar liet 'kletsen' en stillekens in het duister naar het kerkhof trok.Hij was
nog niet in het
"krekelhuis" of een ander had ondertussen ook moed gekregen en kwam hem achterop. Mijn oom
hield zich muisstil in het "krekelhuis' . Toen zijn concurrent schuw
binnenkwam, zei hij opeens:"Hier hedde oewen doodskop '. De ander had toen
opeens geen tijd meer om hem aan te vatten . . . Maar "de Jat"
liet zich niet zo hendig bangmaken.
"De Jat" was de scheldnaam van de eerste
nachtwacht die ik nog gekend heb. Ja, we hadden in Bokhoven een nachtwacht! "De
Jat" - van zijn eigen heette hij Hansen -
moest van 1 november tot 1
april alle uren van de nacht mee een houten klepper door Bokhoven trekken. Hij
kreeg daarvoor de week (1.2.50 en hij mocht een half mud kolen halen. Om-5 uur in de morgen was zijn dienst uit en maakte hij zijn laatste ronde. Dan
zong hij zo hard hij kon roepen: "Vrienden, rijst
uit de slaap. De dag gaat aan. Looft en dankt God Vijf uren geeft de
klok" en dan klepte hij 5
keer mee zijn klepper. Na "de Jat" heb ik nog Martinus van Mill
(de Rooie) en Janus van de Broek (de Paus) als
nachtwacht gekend. Maar
goed: ze wilden "de Jat" op zijn nachtelijke tocht eens de schrik
op zijn lijf jagen. Iemand
had een wit laken omgedaan en ging daarmee in het donker bij de kerkpoort
op en neer kuieren. "De Jat" moest dan denken dat het spookte. Maar de
Jat" liet zich niet bang maken. Met zijn klepper kleppend stapte hij op het spook
af en zei: "Wie dood is, moet dood blijven' . Wilde "het
spook" niet dood blijven door ee.n tik van de
zware klepper op zijn hersens te
krijgen, dan moest het maken dat het weg kwam. Al met al genomen, moet
ik toch zeggen, dat er in een mensenleven in Bokhoven veel veranderd is. En
dat alles in zijn nadeel veranderd is, nou dat geleuf ik nie!! p 107 |
Nieuwkuijk W. Willems
MORE ABOUT