La
Licorne
CATALOGUE
H.L. Tiele, Rouw - Tafereel, De Rooij 's-Hertogenbosch, 1837, 16 pp
ROUW - TAFEREEL
|
|
E |
DER JONGSTE RAMP VAN DE GEMEENTE BOKHOVEN, AAN DE RIVIER DE MAAS IN DE PROVINCIE
NOORD-BRABAND, WAARBIJ DEN 17 NOVEMBER 1837 VEERTIEN DER VROUWELIJKE KUNNE EN EEN MAN IN DE RIVIER DE DIEZE, TUSSCHEN HET DORP ENGELEN EN 'S HERTOGENBOSCH ZIJN OMGEKOMEN. Met een breedvoerig verslag der Gebeurtenissen
der bijzonderheden van voornoemde Ramp en van ieder slagtoffer derzelve, in
Proza en Poëzij, door H.L. Tiele. De Voordeelen
hieruit spruitende zijn ten behoeve van de Nagelatene Betrekkingen der in de
Ramp omgekomenen, en zullen ter dispositie van het
Gemeente - Bestuur van Bokhoven worden gesteld. * VOORBERIGT. ontzettende Ramp der Gemeente Bokhoven, waarvan (naar evenredigheid
der |
bevolking, die ongeveer 200 zielen beloopt)
wel1igt in de geschiedrol1en der eeuwen te vergeefs naar een voorbeeld wordt
gezocht; de diepe rouw, in welke bijna de geheele Gemeente is gedompeld, de
akeligheid en somberheid, die door het gehele plaatsje heerschen, waardoor
hetzelve slechts één lijkhuis gelijkt, gevoegd bij het gezigt van den zoo
zonderlingen als ijzingwekkenden grafkuil, in welke vijftien lotgenooten,
nevens elkanderen geplaatst, den wandelaar eene onwillekeurige traan afpersen,
en wier kil en sprakeloos overschot, door hun veelzeggend stilzwijgen, de leer
der menschelijke broosheid en onbestendigheid, beter dan de welsprekendste tong
verkondigen, hadden op mij te diepen indruk gemaakt, dan dat ik konde nalaten
mijn gevoel in eenige Proza- en Dichtregelen te uiten. Dat de uitgave derzelve
ruimschoots strekken moge om den nood der nagelatene betrekkingen eenigszins te
1enigen, en alzoo in de diepe wonden der nagelatene behoeftigen als het ware
eenigen verzachtenden balsem te gieten, is de hartelijke wensch van den
Schrijver.
VERSLAG DER RAMPSPOEDlGE GEBEURTENIS.
Petronella Roskamp, jonge Dochter, oud vijf en twintig
jaren, moederloos en, ten gevolge van dien, steun en bestuurster van het
berampspoedigd huisgezin;
Maria Roeters, tweede echtgenoote van Robertus Dekkers,
oud vier en twintig jaren, slechts drie weken gehuwd en bebuwd-moeder van twee
hulpbehoevende kinderen, waarvan het eene
doofstom en zinneloos, welk huisgezin in bekrompene omstandigheden verkeert;
Adriana Pullen, oud een en dertig jaren, dochter eener
weduwe met zes kinderen, bijna voor allen den kost verdienende en mede in zeer
zorgelijke omstandigheden verkerende;
Hendrieka van Eijck, jonge dochter, oud een en twintig jaren,
oudste dochter van zes kinderen, door braafheid en vlijt de troost en steun der
anderen;
Cornelius van Cromvoirt, echtgenoot van Anna Koch, oud acht en
vijftig jaren, behoeftig en volijverig arbeider voor eene hoogbejaarde
echtgenoote en twee zonen;
Agnes van Mill, jonge dochter, oud achtien jaren, door
deugd en vlijt de vreugd en troost harer ijverige en in welvaart steeds
verkeerende ouders;
Wilhelmina van den Oever, weduwe van Martinus Pijnenburg, oud zes en
veertig jaren, hebbende eenen ouden broeder en eene minderjarjge dochter,
eenige steun van het huisgezin;
Johanna van Vught, jonge dochter en dienstmeid, oud twee en
twintig jaren;
Maria Dekkers, echtgenoote van Christianus van Geffen,
oud zes en twintig jaren, zeer ijverige, zorgvuldige en vredelievende
huisvrouw;
Maria de Kort, weduwe van Franciskus Lathouwers, oud zestig jaren, moeder van twee minderjarige kinderen;
Johanna van Well, echtgenoote van Hendrikus Smulders, oud
vier en vijftig jaren, brave echtgenoote en ijverige huishoudster;
Johanna Goedhart, echtgenoote van Hendrikus Pullen, oud
drie en veertig jaren, in den hoogsten staat van zwangerheid, moeder van drie
hulpbeboevende kinderen en in behoeftige omstandigheden verkeerende;
Johanna van den Broek, jonge dochter en dienstmeid, oud een en
veertig jaren.
Hendrika de Leeuw, echtgenoote van Adrianus Hanssen,
bevorens weduwe van Johannes Moolensteen, oud zeven en veertig jaren, moeder
van vijf kinderen, waarvan het jongste slechts drie maanden oud is en allen in
behoeftige omstandigheden verkeerende;

Anna Moolensteen, oud twee en twintig jaren, oudste en
zeer arbeidzame dochter uit het laatstgenoemde huwe1ijk en bij hare ouders
inwonende, vertrokken in den vroegen, noodlottigen morgen van den 17 November
1837 met nog tien mans- en twee vrouwspersonen, met de gewone marktschuit uit
het dorp Bokhoven naar 's-Hertogenbosch, ten einde aldaar hunne veldvruchten
ter markt te brengen. Daar het weder zeer kalm was, kwamen zij zonder de minste
verhindering de rivier de Maas en een gedeelte der Dieze door. Dan, ongeveer
tien minuten voorbij bet dorp Engelen bij het zoogenaamde Booijekamps Reksken,
omtrent negen uren, neigde het wat ruim geladene vaartuig met het overgrijpen
der zeilen eenigzins naar de bakboordzijde over, waardoor de opperlast naar
dezelfde zijde helde, het vaartuig door de openingen van het voor- en
achteronder, in welke de vijftien eerstgenoemde personen zich bevonden, eene
menigte water schepte door hetwelk zij allen, in weinige oogenblikken, werden
verzwolgen en verdronken, uitgezonderd twee der vrouwelijke kunne welke door de
onvermoeide pogingen van den onversaagden en kloeken jongeling Martinus van
Mill, terwijl zijne eigene zuster verdronk, van uit het vooronder werden gered,
en met de tien manspersonen die boven waren, bij het ]even werden behouden.
Omtrent elf uren werden de lijken in het dorp Engelen aangebragt, van waar
zij ten twee uren na middag op karren uit voormeld dorp naar Bokhoven werden
vervoerd. Het bij deze toestand akelige gelui der klok kondigde de komst der
lijken aan, welke aan de huizen hunner betrekkingen werden gebragt.
Het tooneel van dit laatste en der drie daaraanvolgende dagen laat zich
beter beseffen dan beschrijven. De eerwaardige heer H.W. van Roosmalen, Pastoor
dier gemeente, heeft gedurende die dagen lijkdiensten gecelebreerd en andere
toepasselijke lijkceremoniën geoefend, alsmede op eene a1lezins loffelijke
wijze omtrent de nagelatene betrekkingen gehandeld.
Na bekomene autorisatie werd op dingsdag den 21 daaraan des morgens ten
acht uren door het gelui der klok het begin der begrafenissen aangekondigd. Elk
lijk werd afzonderlijk afgehaald en met onbeschrijfelijken rouw naar het
kerkhof gebragt, alwaar het door gemelden Pastoor, geadsisteerd door den eerw.
heer Theonville, Pastoor van Vlijmen, en den eerwaardigen heer Mutsaarts,
Pastoor van Heeswijk, met diepe rouwplegtigheid werd afgehaald. Bij deze
successivelijke begrafenissen waren familiebetrekkingen en andere zoodanig
geste1d, dat vele hunner door den zorgvuldigen Burgemeester, den heer van
Eijck, met vele moeiten, half bezweken in de kerk werden gebragt.
Toen al de lijken ter aarde waren besteld is door den eerwaardigen heer
Pastoor van Heeswijk de beaardiging of geestelijke begrafenis met de
indrukmakendste ceremoniën voltrokken, na welke de eerwaardige heer Pastoor van
Bokhoven de lijkdienst heeft gecelebreerd.
|
|
Na het eindigen derzelve heeft de eerwaardige heer Pastoor van Vlijmen een
zeer treffende lijkrede gehouden, en had tot dat einde ten texte gekozen:
Paulus 1ste brief aan de Thessalonicensen
H.4.V.13: "ik wil niet, broeders! dat gij onwetend zijt
.aangaande de gene, die ontslapen zijn, opdat gij niet droevig zijt als zij,
die geene hoop hebben enz." Na het eindigen dezer lijkrede werd de zeer droevige lijkplegtigheid met
het houden van het officie voor de overledenen gesloten. ERWAARTS wij onze blikken wenden, overal ontdekken wij sporen van de
menschelijke broosheid, onbestendigheid en ijdelheid der ondermaansche
dingen, overal blijken, dat dit benedenverblijf meer naar |
eene herberg op den langen of korten slingerweg dan naar eene vaste woning
gelijkt, overal bewijzen, dat de gebouwen onzes geluks slechts kaartenhuisjes zijn
of, ten hoogste, op log zand opgeslagene loodsen, allerwege bewijzen, dat de
menschelijke plans, ook de beste en weldoordachtste vaak kasteelen in de lucht
zijn, dat onze uitzigten op toekomstig geluk, vastheid en grootheid van staat
of stand, of andere schoonschijnende lotsverwisselingen, naar welke de
wisselzieke stervelingen vaak onbezonnen hunkeren en reikhalzen, slechts ideale
van een half verbeisterd brein, slechts droomen der wakenden zijn, welke nimmer
verwezentlijkt of, gepaard met het gedroomde geluk, genoten worden.
Vestigen wij, ten einde van deze groote waarheid ten eenemaal overtuigd te
worden eenen ernstigen blik op de dagelijksche ondervinding en ervaring, doch,
keeren wij tot dat einde bijzonder tot Bokhoven, alsin den geest, terug. Zeven
en twintig ijverige landlieden uit de beide sexen, bijna allen tot de zeer
behoeftige klasse behoorende, en door tal rijke huisgezinnen bezwaard, schepen
zich volijverig en met die vrolijke stemming, den landman eigen, in, beladen
met die veldvruchten, welke vele hunner voor hun eigen gezin broodnodig hebben,
maar die zij, deels om de lasten van den staat, deels om pagtgelden en andere
einden, moeten afstaan, ten einde hunne behoeftige huisgezinnen, niet in takken
van weelde, maar in de eerste en dringendste noodwendigheden des levens te
voorzien,
Mij dunkt, ik hoor nog langs den kant der Maas en door het dorp Engelen hun
vrolijk gejuich en den galm hunner lande1ijke volksliederen, even als of zij,
na lastig markten, hunne penningen, als de vruchten hunner vlijt, bereids
hadden ontvangen. Ongelukkige! gij zingt en juicht, terwijl het vratig graf met
ongeduld U wacht. Gij juicht nog terwijl de pijl des doods op U mikt; gij staat
vrolijk, waar al uwe menschelijke broeders en zusters sidderen, namentlijk, voor
de poorten eener voor U en ons onbegrijpelijke eeuwigheid. 0, hoe wijs heeft de
voor ons onbegrijpelijke Godsmagt de toekomst verborgen, anders zoudt gij,
toekomstige slagtoffers! op de gedachte des naderden doods, de smart van
duizend dooden gevoelen en deze voor U zoo zalige oogenblikken niet smaken.
Zij juichen voort tot op de plaats hunner bezwijking. Reeds kantelt het
vaartuig naar de noodlottige zijde, en nog, onbewust van gevaar, verheugen zij
zich dat zij bijna de plaats hunner bestemming zijn genaderd. Daar stroomt
opeens het water door de openingen van het voor- en achteronder, en het vrolijk
gejuig verandert in de verschrikkelijkste noodkreeten, in het akeligste gekerm,
dat de wanhoop als gebiedt. Mij dunkt ik zie hen in dien onbeschrijflijke toestand,
waarin hun slecht, oogenblikken van denken kunnen veroorloofd zijn, op
elkanderen dringen, met aan razernij grenzende woede zich de haren uit het
hoofd rukken, en hoor hen hierbij uitjammeren: "Ach, mijn arme zuigeling!
mijn oude moeder! mijn arme, goede vader! ach! God! mijne ongelukkige kinderen!
mijne lieve broeders en zusters! ach! mijn dierbare man! mijn goede arme vrouw!
ach! groote God! verlos mij en mijn nog ongeboren kind!!! help! help! .God! sta
ons bij, ik sterf! God! wees mij genadig! ontferm U mijner! Vader in uwe handen
beveel ik mijnen Geest."
Geene enkele stem wordt meer gehoord; de onverbiddelijke dood, even doof
voor het geschrei van het hulpbehoevendste wichtje als voor bet gekerm der
onontbeerlijkste moeder, heeft allen meedoogenloos den mond gesloten . . . Zij
zijn reeds de poorten der eeuwigheid binnen getreden, God! wees hun genadig.
Dat zij rusten in vrede.
Vergezellen wij eens in den geest deze ijzing wekkende lijken naar het dorp
Engelen en verder naar Bokhoven, al waar de meeste hunner het eerste
levenslicht aanschouwden, opgevoed en gehuwd werden en alwaar hunne naaste
betrekkingen, bijna bezweken van smart en rouw op de eerste mare van hunnen
dood, hun zielloos overschot in hunne huizen ontvangen. Hier werpt zich een door
de smart afgefolterd man en vader op het lijk zijner gade neder en waant, door
de smart des rouws verbijsterd, haar nog in het 1even; daar stort een wanhopend
huisgezin, vader, moeder, broeders en zusters op het ontzielde overschot van
hunne achtienjarige dochter, van hunne dierbare zuster neder, om op haren
bestorvenen mond, door tranen en gekerm, de overmaat der smart als ware het te
lenigen; aan deze zijde staat eene behoeftige weduwe met zes kinderen door rouw
als versteend, bij het lijk harer dierbare dochter, de enige steun harer oude
dagen en haars huisgezins; hier weder valt eene menigte weenende en kermende
kinderen op het kille en nog druipende overschot hunner moeder neder, en pogen,
gedrukt aan haar voor hen niet meer kloppend hart, door kussen, haar tot het
leven terug te roepen; daar steekt een zuigeling zijne tedere handjes uit naar
de reeds verstijfde borsten van het lijk zijner moeder, terwijl op de eerste
aanraking het kille ligchaam schijnt te willen beduiden, en de ijskoude mond
aan dit tedere telgje schijnt toe te roepen: "Wijkt terug! gij hebt geene
moeder meer"; ginds ligt, een door smart bijna zieltogend vader ter aarde
met drie kinderen zijner gestorvene echtgenoote, terwijl zijn gejammer, geween
en gekerm aan den dood het regt en de magt over zijn nog ongeboren kind schijnt
te betwisten. Allerwege heerst gekerm, geween en geklag, de helft der
huisgezinnen zijn lijkhuizen geworden. Vrienden noch geburen kunnen helpen noch
troosten, want een gelijk lot bejegent hen bijna allen; elk staat op zich
zelven en moet den troost en bijstand van zijn gebuur en van zijn bloedverwant
derven. Elk, door eigen lijden gedrukt en overstelpt, mist genoegzame krachten
en moed om zich staande te houden.
Vijftien verschrikkelijke tooneelen, het een al noodlottiger dan het
andere, vertonen zich opeens aan ons oog. Het gehele plaatsje is een dal van
rouw en tranen, van geween en akelig gekerm, een dal des doods en der
vertwijfeling! Blijven wij hier een weinig en weigeren wij hier niet den tol
der natuur te betalen, met ook eene traan met de hunne te mengen; tranen, die
stomme tolken van ons hartelijk medelijden, leenigen eenigermate de smart van
onzen lijdenden broeder en zijn de beginselen en van de offeranden onzer
menschlievendheid.
Toeven wij hier nu nog eenige oogblikken bij de teraardebestelling dezer
slagtoffers. Hoe somber, doods, akelig en ijzingwekkend is thans dit verblijf!
Waartoe dient dit gelui der k.lok? Ach! het is het sein dat aan veertien
huisgezinnen gegeven wordt om hunne geliefden grafwaarts te voeren en aan de
nimmer verzadigde wormen ten prooi af te staan.
Ach! God! hoe diep, hoe innig, hoe algemeen is hier de rouw! allen schijnen
met hunne betrekkingen ten grave te willen dalen; in aller hart schijnt de
smart des doods te heerschen. Hoe sterk is niet de verkleefdheid dezer
eenvoudige landlieden! Hier worden de banden der natuur niet dan met de
uiterste smart verbroken. Hoe diep gebukt door smart en rouw, volgt deze vader
met zijn schreijend kroost het lijk zijner gade ten grave! Ach Hemel! allen,
die achter de lijkbaar volgen schijnen naaste betrekkingen te zijn, hunne
houding, hunne tranen schijnen zulks te bevestigen! Op aller gelaat en in aller
houding schijnt de dood zijn zegel gedrukt te hebben. Wie der stervelingen op
aarde was ooit getuigen van een dergelijk tooneel? Hoe treffend en diep
aandoenlijk rusten hier de vijftien lotgenooten aan elkanders zijde!
Hier wordt de zoo vaak gedroomde gelijkheid, de van alle aardsche
boeijen ontdane vrijheid en de ware broeder- of zusterschap verwezenlijkt.
Knielen wij eens allen bij dezen grafkuil neder en vragen wij dan, het oog op
deze lijken gehouden, ons zelven af: wat is de mensch? en eene akelige grafstem
zal ons, ter fnuiking onzer ongepaste trots, toeroepen: "gij zijt een
handvol stof, een onoplosbaar raadsel voor U zelven, gij zijt zwakker dan de
teederste bloem des velds, die heden bloeit en morgen verwelkt; gij rigt
paleizen en praalgebouwen op, terwijl gij vergeet dat uwe woning deze grafkuil
is.-"
Wijden wij dan, alvorens wij dit door de hand des
doods geslagene en
diepgeteisterde oord verlaten, eer wij onze knien van voor dit graf uit het
stof ligten nog eene traan aan deze dierbare ontslapenen, maar, vergeten wij
hierbij, toch hunne behoeftige, nagelatene betrekkingen niet. Zij zijn het
thans, die ons medelijden, mits het vruchtbaar in weldadige uitwerkselen zij,
zoo zeer behoeven; zij zijn het, wier beklagenswaardige toestand het
hartvochtigste hart kan verbreizelen; zoo wij slechts de moeite willen nemen
dien van nabij te onderzoeken.
Zullen wij nog, kunnen wij nog die dwaze gehechtheid aan het goud, aan de schijngoederen dezer wereld blijven
behouden, als wij, of Bokhoven gaan bezoeken, of ons in den geest
aldaar verplaatsen en wij ons aan de eene zijde van dien zonderlingen en ijzingwekkenden
grafkuil en aan de andere zijde van die in diepen rouw gedompelde behoeftige en
onzen bijstand inroepende menigte plaatsen? Zullen wij nog, kunnen wij nog in
verkwistenden overvloed de weinige ons toegetelde dagen slijten, als wij aan de
eene zijde uit het graf van Bokhovens vijftien lotgenooten ons als het ware,
hooren toeroepen: "Verwatene stervelingen! wijst ons den anker van uwe
ondermaansche hoop; wijst ons de gronden aan, die U verzekeren, dat uw leven
minder broos is dan het onze was;
toont ons dat uw schaamrood
goud den dood heeft omgekogt,
als de natuur of haar maker het
anders wilde, toont ons dat de colossale muren uwer paleizen onoverwinnelijke
bolwerken, tegen de alles verbrijzelende magt des doods zijn, en dat hij in dezelve
minder dan in de schamele hut zijne scepter doet gelden.
Verdwaasde, diepverbeisterde zonen van het stof! Keert tot U zelve terug,
en komt in de school der graven de lessen der ware levenswijsheid hooren, om
die op al uwe paden na te leven."
Zullen wij, kunnen wij, in weerwil van de inspraak onzes gewetens, de
ingewanden van medeogen, de deur van ons hart nog langer sluiten, voor den
toegang der behoeftigen; zal
iemand onzer nog langer als een nooit verzadigde bloedzuiger het zweet en b1oed
van honderde weduwen, weezen en andere ongelukkigen in éénen wulpschen maaltijd
kunnen blijven verzwelgen, zullen wij zelfs den minsten overvloed op onze
tafels, de minste verkwisting bij elk voorval onzes levens in ons kunnen dulden
als wij aan de andere zijde die verlatene en rampspoedige menigte beschouwen en
ons hooren toeroepen:
ontfermt U over onzen toestand, de hand des Allerhoogste heeft ons geraakt,
lenigt door uwe weldadigheid eenigermate onze ramp, God zegene uwe
edelmoedigheid en behoude U en uwe dierbare voor eenen dergelijken slag des
noodlots.
De hemel geve, dat de stem der graven ons onzer broosheid en het
ongenoegzame en vergankelijke dezer beneden-wereld tot ons behoud en geluk niet
ijdel hebbe herinnerd en dat die der diep berampspoedigde nagelatene betrekking
niet te vergeefs onze ontferming hebbe, ingeroepen, maar dat beide, rijk in
practikale gevolgen, tot ons en hun heil gedeijen.
Het geschiede aldus.
~~~~~~~~
Breugelmans, H P (Piet), Rouwtafereel. MGT 1953 p 129,130
ROUW TAFEREEL
VAN DE RAMP IN DE GEMEENTE BOKHOVEN OP 17
NOVEMBER 1837
In de twee laatste nummers van dit tijdschrift [Met Gansen Trou jrg 1953, p 99-102 en 118-123] hebben wij de volledige tekst gegeven
van het boekje, dat uitgegeven werd bij gelegenheid van de scheepsramp te
Bokhoven van 17 November 1837. Het boekje kan men vinden op de bibliotheek van
het Provinciaal Genootschap voor Kunsten en Wetenschappen in Noordbrabant,
(MLXXXVl, 4.)
Wij laten hieronder nu volgen, wat Pastoor van Roosmalen, die ten tijde van
de ramp in Bokhoven pastoor
was, over deze ramp heeft opgetekend {Parochiearchief Bokhoven: LXIV blz.
60).
In het Zuide van den Groote Toren is een gedenkstuk geplaatst ter
nagedachtenis van vijftien lijken die den 17 November 1837 in de Dieze
tusschen Engelen en de stad 's-Bosch door het omslaan der Bokhovensche
Marktschuit verdronken en alhier
te Bokhoven begraven zijn, tot lavenis der zelver zielen is er een offerbus
gemetseld in den trap van den toorn, welke de pastoor alleen opene, voorwelk
geld de pastoor jaarlijks doet een zingend jaargetijd, waarvoor de pastoor
geniet drie gulden en de koster tien stuivers en de kerk tien stuivers, en voor
het overige geld worden lezende missen gedaan, waarvoor de pastoor van elke mis
geniet eenen gulden: dit al te maal in de veronderstelling dat de gelden die
daarin gevonden worden, toereikende zijn. Dat men van de inwoners van Bokhoven
tot dien offer met recht kan aanmanen is omdat dezelve voor het grootste
gedeelte van de liefde giften ten dien einde gegeven, genoten hebben, welke
liefde giften tot leeniging der ongelukkige ruim twee duizend gulden bedroegen.
De oorzaak van de ramp.
Op het kerkhof te Bokhoven staat als grafmonument een beeld, voorstellende
de deugd "De Hoop" ter herinnering aan Cornelius van der Leeden; geb.
te Bokhoven 14 Sept. 1819 en overleden 4 Maart 1875 en Adriana Nefkens, zijne
huisvrouw, geb. te Ammerzode 11 April 1811 en overl. te Bokhoven 17 Sept. 1896.
Deze Cornelis v.d. Leeden, zo vertelde mij Henricus v.d. Leeden, was de
schipper op de marktschuit. Toen de boot in gevaar kwam, riep hij naar de
toger, dat hij de paarden moest doen aantrekken, doch in plaats daarvan gooide
de toger de lijn los zodat de schuit daardoor kapseisde.
Wanneer de toger de treklijn strak had ]aten trekken door zijn paarden dan
zou het ongeluk niet gebeurd zijn; aldus vertelde zijn grootvader, die
bakenmeester op de sluis was, hem dikwijls; deze was Henricus van der
Leeden, geb. te Bokhoven, 5 Maart 1826 en aldaar, na 30 jaren Kerkmeester
geweest te zijn, overleden 27 Maart 1905. Hij was gehuwd met Anne-Marie
Verschuren, die 18 Juni 1826 te Waspik was geboren en te Bokhoven overleed op
25 Dec. 1891.
Merkwaardig is het feit, dat precies vijftig jaar later op deze1fde dag dat
de ramp plaats vond, dus 17 November 1887, kwam te overlijden de laatst
overgeblevene der geredde schipbreukelingen, nl. Adriana Deckers bijgen. 'de
Roje Jaan'. Zij was te Bokhoven geboren .14 April 1813 en huwde aldaar
Wilhelmus van de Broek op 17 Mei 1846, die 22 Februari 1812 te Bokhoven geboren
was.
Pastoor Breugelmans
Bokhoven
MORE ABOUT