B o k h o v e n : Vrijheid aan de Maas

door drs. Alph. W. van den Hurk, MGT 1969 pp 81 t/m 94

 

In een oorkonde van 23 juli 1363 duikt Ghiselbertus Coc als eerste ons bekende

heer van Bokhoven op. Hij sticht dan voor zijn grondheerlijkheid een

eigen kapel, waaruit zes jaar later de parochie Bokhoven zal voortkomen.

Heerlijkheid en parochie zijn dan ook praktisch even oud.

HET VOORSPEL VAN 1369

De plaatsnaam Bokhoven en de daarvan afgeleide familienaam komen echter

al eerder voor. Merkwaardig is, dat de familienaam voorop gaat. In 1243 komen

we een zekere Arnoldus de Buchoven tegen 1). Men heeft hem vaak tot

heer van Bokhoven" gebombardeerd, maar we kennen hem slechts als schepen

van Den Bosch. Op 17 april 1307 is er in een officieel stuk sprake van

de plaats, die Bokhoven heet" 2). O p dat moment krijgt de deken van Hilvarenbeek

van de kerkelijke rechtbank te Luik bevel, om over zekere Gerardus

van Herlaar, ridder van beroep, en zijn handlangers de kerkelijke ban af te

kondigen.Voornoemde Gerard en consorten hadden te Bokhoven een gedeelte

van de oogst opgeladen en weggevoerd. Het ging om dat tiende part, hetwelk

tot onderhoud strekte van Lambertus, pastoor van Hedikhuizen. Het bisdom

Luik kon natuurlijk niet dulden, dat door de parochianen voor hun pastoor

bestemde veldvruchten zo maar door vreemde sinjeurs droogweg werd in-

gerekend. Men trad daarom streng op. Op alle zon- en feestdagen moest het

vonnis in heel het dekenaat na klokgelui en bij brandende kaarsen worden afgekondigd.

Kwamen de schuldigen niet snel tot inkeer, dan zouden ook hun

familieleden kerkelijke straffen belopen. Het geroofde goed zal daarom wel

teruggekomen of gecompenseerd zijn.

De medespelers bij de tiendkwestie in 1307 treden ook bij de stichting van de

parochie in 1369 op: de bisschop van Luik, de „deken" van Hilvarenbeek, de

pastoor van Hedikhuizen, de heer van Bokhoven en de abt van Berne, die

sedert 1285 het patronaatsrecht over Hedikhuizen bezat. Het gebied beneden

de Oude Maas behoorde vanouds tot het bisdom Luik, en tot 1559 zou het zo

blijven. Als prins of wereldlijk heer was de bisschop van Luik sedert 1365 ook

leenheer van de heerlijkheid Bokhoven, wat hij bleef tot 1800 toe. De prinsbisschop

van Luik was zodoende dubbel heer van Bokhoven. Als geestelijk

herder was hij zelfstandig. Als wereldlijk vorst leende hij zelf van de Duitse

keizer. Hij leende echter op zijn beurt door; zodoende was de heerlijkheid van

Bokhoven sedert 1365 in bezit van Jan Oem van Arkel, vermoedelijk geparenteerd

aan de roemruchte, grote Arkels. Het grondgebied van de heerlijkheid

en de parochie vielen in 1369 volkomen samen. Omdat ze in de loop der eeuwen

in al hun lotgevallen zo nauw verbonden zijn geweest, is hun historie niet

te scheiden.

HET SPEL EN DE KNIKKERS

Voor een schets van zes eeuwen parochiegeschiedenis beschikken we over

zes strekkende meters goedgeordend archief, waarin de parochieregisters en

de bijna volledige reeks kerk- en armenrekeningen een voorname plaats innemen3).

Heerlijkheid en gemeente zijn veel minder bedeeld. Van 8 op 9 mei

1839 verbrandde met het gemeentehuis van Bokhoven het daar aanwezige

archief en tijdens de Tweede Wereldoorlog gingen te Loon op Zand nog heel

wat stukken betreffende de heerlijkheid verloren.

Toch bleef alles bijeen nog veel bewaard. Het volle, bruisende leven van een

gemeenschap, zoals het op een schilderij van Pieter Breughel wordt weergegeven,

laat zich in deze administratieve bescheiden maar zelden betrappen.

Daarvoor handelen de stukken teveel over het mijn en dijn. Vervolgens zit men

met de moeilijke taak, dat men het dikwijls onbeduidende leven van een kleine,

besloten leefgemeenschap als Bokhoven toch zoveel mogelijk met de grotere

geschiedenis van kerkprovincie en gewest in verband moet zien te brengen.

Beide moeten zelfstandige grootheden blijven. Geen van beide mag men onderschatten

of overschatten. Ze moeten echter ook zoveel mogelijk in juiste harmonie

en volgens maatgevoel met elkaar in verband gebracht worden.

Wat nu dat geval van verhoudingen betreft, reeds in 1842 merkte iemand op,

dat het graafschap Bokhoven evenmin als het koninkrijk Yvetot (in Noord-

Normandië) ooit „eenigen merkbaren invloed op Europa's hooge staatsaange-

legenheden uitgeoefend heeft", ofschoon het „eene niet geheel onbelangrijke

geschiedenis op zichzelven heeft" 4). Voor de parochie geldt natuurlijk op haar

terrein precies hetzelfde. In heel zijn beperktheid, als regel slechts 200 inwoners

op een gebied van 300 hectaren, voltrok het leven in het slotdorpje zich

als het ware in een notedop. Het zijn echter de speciale uiterlijke verhoudingen

geweest, die Bokhoven boven zichzelf uittilden en het uit zijn krachten deden

groeien. De kerkelijke en wereldlijke afhankelijkheid van Luik maakten Bokhoven

tot een politiek enclave tussen Holland, Gelre en Brabant. O p basis van

dit feit, en door een goede samenwerking van heer en pastoor, kon Bokhoven

ook een soort oase worden voor de Noord-Nederlandse katholieken, toen

elders de vrije uitoefening van hun geloof verdween. Met het belang van de

heerlijkheid is ook haar status toegenomen; op 16 maart 1499 werd ze verheven

tot baronie en op 17 februari 1640 zelfs tot graafschap! Toen de aanslagen

der Republiek eenmaal overwonnen waren, gaven die hoge titelatuur en

hun verheven, neutrale positie, de heren van Bokhoven een zekere zelfgenoegzaamheid.

Vooral eind 17e en in de 18e eeuw gaat dat meespelen. Ook bij de

herders der parochie, wanneer die achter hun naam gaan zetten „pastoor van

het vrije graafschap Bokhoven van het Heilige Roomse Rijk". Het is als liggen

dan Byzantium en Rome aan de Maas!

DE AANLOOP IN HET HERFSTTIJ DER MIDDELEEUWEN

Het begin was echter eenvoudiger! Bij de oprichting van de parochie kreeg

de Abdij van Berne het patronaat van de kerk en de zogenaamde grote

tienden of korentienden. De abdij droeg deze rechten in 1375 „om groote kennelijke

nood van schulden" als erfleen over aan de heer van Bokhoven 5). Stierf

de abt, dan zou de heer van Bokhoven bij diens opvolger het leen opnieuw

laten verheffen en als teken van leenhulde een paar witte handschoenen en

een gouden penning schenken. Omdat de Abt van Prémontré de transactie

echter niet goedkeurde, werd ze volgens het contract na tien jaar weer teniet

gedaan. Als de graaf zich in 1769 bij het hof van Brussel voor het verwerven

van het patronaat over de kerk op deze korte periode beroept, krijgt hij dan

ook nul op rekest.

Geschillen over patronaatsrecht en tienden bleven overigens schering en inslag.

Abt Petrus van Hemert riep bijvoorbeeld ook de hulp van de bisschop

van Luik nog eens in, omdat Jan Oem van Arkel III tienden van Berne te Bokhoven

had ingerekend 6). Deze werd weldra gedreigd met de kerkban en een

boete van duizend zilvermark. In dit geval schijnt de strijd tot het uiterste te zijn

gevoerd, want deze heer beweerde, dat hij alleen God en de keizer, zijn opperste

leenheer, vreesde, maar dat hij overigens noch om paap of knaap iets gaf.

In 1449 in het Gulikse verslagen en zwaar gewond, maakte hij in een huis aan

de Papenhulst in Den Bosch zijn testament „in praesentie Vrouwe Aleyte zijne

gezellinne", en dit vermeldt: „Ende begeerde in den eersten in de kerk van

Bokhoven voor den altaar, van hem aldaar gefundeerd, begraven te wezen"7).

Zijn dochter trouwt met Hendrik (van Randerode) van der Aa (1449-1477).

Twee voorname huizen in de Sint Jorisstraat in Den Bosch kregen vanwege de

heren van Bokhoven uit dit geslacht de naam van Huis van Bokhoven en Huis

van der Aa8).

Uitermate belangrijk was, dat het landrecht van de heerlijkheid op 12 april

1460 schriftelijk werd vastgelegd 9). Aanleiding gaf het feit, dat de schepenbank

weigerde de vierschaar daar te spannen, waar Hendrik van der Aa dat wilde.

Een commissie van arbiters uit beide partijen codificeert dan de rechten en gebruiken,

waardoor de verhouding tussen heer en onderdanen geregeld wordt.

Een groot aantal boetes en straffen voor allerlei delicten worden vastgesteld

en de verdeling van verbeurd verklaard goed geregeld. De dingbank zal normaal

ter gewonelijke plaatse buiten slots" gehouden worden. Voor zeer zware

gevallen als moord, doodslag, etc. mag de heer de plaats van zitting bepalen,

maar onder dit voorbehoud „dat die wezen zal beneden der overste bruggen

met openen wincletten" (deuren). Ook het „zetten" van de 7 schepenen door

de heer wordt geregeld. Met dit alles werd de basis gelegd voor vreedzame

onderlinge verhoudingen.

Parochie en kerkgebouw kwamen tot dusver bij gebrek aan gegevens weinig

naar voren. In 1363 stond er voor de kapel al het volledigchoor", dat in de

loop der tijden moet zijn uitgegroeid, al weten we niet hoe. Op 12 maart 1489

geeft zekere Henrick Jan Pauwels een soort onderhoudsgarantie voor vijf jaar,

als hij tegenover twee kerkmeesters belooft „alsdat hij alsulken oerwerck,

dwelck dat dair steet in der kercken van Buchoven .. enen tijt van vijff jaren

naestcomende zal genckaftich houden" 10). Dit veronderstelt een toren aan de

kerk.

GEEN GROTE VOLKSVERHUIZING TEN BATE DER KONIJNEN

Volgens een door pastoor Van Roosmalen na 1850 verkondigde en later door

Schutjes en pastoor Breugelmans overgenomen mening zou heel het complex

Bokhoven vóór het jaar 1500 ongeveer 1 kilometer meer naar het westen hebben

gelegen, en wel op het terrein, dat nu „De Konijnenberg" heet. Kasteel,

kerk, pastorie en heel het dorp zouden aldaar in 1498 door Karel van Gelre „te

vuur en te zwaard" zijn verwoest en binnen twee jaar op de tegenwoordige

veiligere" plaats geheel zijn herbouwd.

Het verhaal van zulke enorme krachtsinspannig klinkt op zich genomen al

weinig geloofwaardig. Bovendien spreekt Van Roosmalen zich in zijn berichtgeving

voor en na tegen; nu eens stelt hij de inwijding van de herbouwde kerk

op 31 mei 1500 11), dan weer spreekt hij aarzelend over herbouw „omtrent

1514" 12) . Van Roosmalen, die wel eens wat haastig las en schreef, is door een

aantekening in het calendarium of jaargetijdenboek op hol geslagen. Daarin

wordt gezegd, dat Jan van der Aa de kerk op zijn kosten „van de grond af"

weer liet opbouwen. Men kan er niets uit besluiten, als dat de kerk finaal in

duigen lag en herbouwd moest worden, niet dat ze naar een andere plaats

verhuisde; van verwoesting van kasteel en dorp is nergens sprake. Ook het

dekenaal register van Hilvarenbeek 13) leidt tot dezelfde conclusie. In 1521 betaalt

men 6 rijnsgulden voor het „verlof om het oude koor af te breken en opnieuw

op te bouwen.."; de toestemming houdt in dat men precies alle vroegere

afmetingen in acht blijft nemen. Dit alles duidt op herbouw, niet op verplaatsing.

Behalve de uitdrukking „van de grond af" voerden zekere bouwvallen

en grachten op De Konijnenberg Van Roosmalen tot zijn constructie.

Deze laatste kunnen stammen van een slotje, dat volgens sommige auteurs 14)

vroeger op het Vergereind zou gestaan hebben.

JAN VAN DER AA, DE STRIJDENDE BOURGONDIËR

Jan van der Aa zal aan het feit, dat hij aan de zijde van de Bourgondiër Maximiliaan

dapper tegen zijn eigen neef Karel van Gelre streed, wel zijn uitverkiezing

tot ridder van het Gulden Vlies alsook zijn verheffing tot baron te danken

hebben gehad. Immers zijn zwager Frederik van Egmond 15) werd om dezelfde

reden in 1492 van „heer" tot „graaf" van Buren bevorderd. Slechts uit enkele

feiten kunnen we besluiten, dat Jan van der Aa, in die tientallen jaren durende

heftige strijd tegen Gelre betrokken was. Op vrijdag 21 juli 1499 is er een dagvaart

te Rossum 16). Hertog Karel van Gelre geeft een vrijgeleide aan 20 personen

en 20 paarden en vrije terugtocht uit vijandelijk gebied voor een volle

dag. De zuidelijke delegatie bestaat uit Karel'svrunden der stad van den

Bosch ind dess Heren van Bockhoven". Bij de Bosschenaren was misschien

ook Jan van Baecx, ridder, de laagschout van stad en meierij, die een zwager

van Jan van der Aa was. Wat er te Rossum verhandeld werd, weten w e niet,

maar alles duidt op een zeer belangrijk contact. Een kroniek van de oorlogen

van Brabant en Gelre vermeldt op het jaar 1511 „een blockhuys, dwelck de

heere van Bockhoven hadde doen maecken ende stellen over de Wale ter

plaetse Tuyle genaempt" 17). Deze sterkte te Tuil tegenover Zaltbommel zal

tegen de Geldersen zijn opgeworpen.

Jan van der Aa, die vele andere functies bekleedde en zeker een der grootste

heren van Bokhoven is geweest, kwam evenals zijn echtgenote Elisabeth van

Egmond in 1540 te overlijden. Ze stierven kinderloos en kregen hun „magnifijcke

sepulture oft tombe int midden van het choor", die in 1836 door het instorten

van een beuk zou zijn verwoest.

VANAF DE BEELDENSTORM TOT AAN 'T BESTAND

Wanneer het harde krijgsbedrijf van de Tachtigjarige Oorlog begint en de

Reformatie voorlopig zich nog meer doet gevoelen dan het Concilie van

Trente, komt te Bokhoven in 1570 met baron Engelbert van Lier van Immerselle

een voornaam Zuidnederlands geslacht voor 1 3/4 eeuw in het bezit der heerlijkheid.

Deze Engelbert was zeer gezien, nauw betrokken bij de politiek van Den

Bosch en even zelfs kandidaat voor het gouverneurschap van deze stad 18).

De periode van de Tachtigjarige Oorlog, waarin Berne, Heusden, de Maasstreek

en de daar aanwezige forten in de frontlinie kwamen te liggen en door

huurtroepen, zowel van Staatsen als Spaansen geregeld bezocht werden, ging

ook aan Bokhoven niet ongemerkt voorbij. In de kerkrekeningen vindt men er

de sporen van. „In meye (15)74 hebben die nabueren voor de beeltstormers

ende kerckenschenders willen salveren de tafrelen ende ander goet als beelden,

kandelaars, etc. hebben tselve opt slot gedragen" 19). Ook de pastoors

van Bokhoven zouden van 1574 tot 1630 op het kasteel hun intrek genomen

hebben, en in een inventarisstaat van het slot uit 1624 wordt in alle geval herhaaldelijk

van „de pastoorscamer" gesproken 20). Op 10 september 1576 betaalt

de pastoor 70 pond lood, o m een bak in de doopvont te gieten, „overmits de

oude van den Walsenen crijsvolk (!) afgebroken ende genomen was" 21).

Wanneer de pastoor van Hedikhuizen Arnold van Welhuizen in 1598 gedood

wordt, neemt de pastoor van Bokhoven er tot 1607 de zielzorg over. De abt van

Berne had de bisschop o m die regeling verzocht: „onze abdij heeft momenteel

een tekort aan geschikte pastoors".

Van Jan Vercuylen zegt men in 1607: „Hij heeft als pastoor van Bokhoven met

veel vrucht gewerkt, en velen in de omliggende dorpen en in Holland van hun

dwaalleer naar de schoot van onze heilige moeder de kerk teruggebracht, ze

de sacramenten der kerk met levensgevaar toegediend, en andere voortreffelijke

dingen gedaan. Deze dingen getuigen over hem de boeren en ook de

tijdelijke heer van Bokhoven" 22).

TWAALF JAAR RUST VOOR BOUWEN, BREKEN, MONNIKENSTREKEN

Tijdens de rustperiode van het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) haalt men de

kerk aan alle kanten op. Ook de inventaris wordt belangrijk verbeterd. Er

komen nieuwe banken, een nieuwe troonhemel voor de sacramentsprocessie,

een schilderij voor het Sint Anna-altaar, gordijnen en klokken. Op 24 oktober

1612 meldt men: „item soo is den preeckstoel versett o m meerder ruymte te

maken voor den somer, als er veel vergaderinge van buytenvolck comt.. "23).

De toeloop uit streken, waar de openbare geloofsuitoefening voor katholieken

verboden was, begon dus merkbaar te worden. Tegen het einde van het Bestand

had de heer van Bokhoven een plakkaat van de Staten Generaal op zak,

om zijn gebied en onderdanen tegen vreemd krijgsvolk te beschermen „als

zijnde Luiks gebied en sedert lang verheven tot vrije heerlijkheid van 't Roomse

Rijk ende overzulcx metten oirloge deser landen nyet gemeens en hebbende"

24).

Toen de druk van buitenaf tijdens het Bestand wegviel, moest men in de microkosmos

Bokhoven meer zijn verzet in eigen kring gaan zoeken. Ook een kleine

heerlijkheid kan daarin groot zijn. Pastoor Jan Moors, later als abt zeer vertrouwd

met bisschop Ophovius en Edel- en Grootmogenden mocht het ondervinden.

Zijn buurman Jan Damants diende bij de heemraden een aanklacht

tegen hem in 25). De pastoor zou op grond van Jan Damants gebouwd hebben,

daarover een kerkepad hebben gemaakt, zijn spoelwater op diens grond lossen

en zich aan luchtverontreiniging schuldig maken. Volgens z'n buurman

had de pastoor slechts recht op een halve voet buiten de „osiedrop" van zijn

huis. Alle pilasters en aanbouwsels aan de omstreden muurkant van het huis

zouden daarom, zo luidde de eis, moeten worden afgebroken. „Jenne meyd",

d.i. de huishoudster van de pastoor, zou de ramen aan die kant niet meer mogen

openen, of ze moesten worden .voorzien met ijzeren spillen', Overige eisen

waren: „dat de pastoor bij vonnis zal verordonneert worden, dat hij zijn gootsteen

zal maken met een ijzeren tralie en daar niet doorgieten seepsop, pisse

en ander vuil water, dan schoon en hemels water", en „dat hij den privaat aan

zijne huize staande zal hebben te verzorgen, dat ik daar geene stank van

hebbe". Jan Moors moest weldra te land, ter zee en in de lucht capituleren!

IN DE GOLFSLAG VAN DE OMSTREDEN MEIERIJ

In 1629 wint stededwinger Frederik Hendrik Den Bosch voor de Republiek, maar

Staatsen en Spaansen blijven elkaar tot 1648 de Meierij betwisten met zogenaamde

retorsies, mensenjachten, strooptochten, belastingheffing en een plakkatenregen

over en weer. Het beruchte plakkaat der Staten van 2 december

1636 verbande alle geestelijken uit de Meierij, die van Berne uitgezonderd. Vele

regulieren snelden toen naar Bokhoven, de vluchtheuvel aan de Maas. Jezuïeten,

Kartuizers, Wilhelmieten en Kapucijnen zouden er met meerderen onderdak

vinden. Norbertijnen waren er doorgaans in groter aantal, ook al voor de

zielzorg in de omliggende parochies, waar de eigenlijke zielzorgers hadden

moeten wijken. Tot een kloosterstichting kwam het niet. Wel werd daarover in

1637 zwaar gedelibereerd, maar pastoor Seegers en baron Engelbert II

(1624-1652) beschouwden die overbelasting voor het slotdorpje klaarblijkelijk

als een bezwaar. De eerder genoemde kloosterlingen waren maar passanten,

die zich te Bokhoven slechts tijdelijk in veiligheid stelden; omdat ze daar geen

bestaan en geen emplooi vonden, trokken ze zich doorgaans op hun Zuidnederlandse

kloosters terug. Veel alleenstaande priesters of missionarissen

uit de wijde omgeving weken ook naar het vrije land van Bokhoven uit, wanneer

ze gevaar liepen. Leken kwamen daarheen van heinde en ver, om er hun

godsdienstplichten uit te oefenen, hun kinderen te laten dopen of o m er een

kerkelijk huwelijk te sluiten. Systematisch onderzoek van de parochieregisters

wees uit, dat te Bokhoven kinderen uit 114 verschillende parochies uit heel ons

land werden gedoopt, en ook uit het buitenland. Huwelijken waarbij Zuidnederlanders,

Fransen, Duitsers en Zwitsers betrokken zijn, nemen onder de talrijke

huwelijken van „vreemdelingen" een bescheiden, maar opvallende plaats in.

Nogal eens 'n keer was de bruidegom een „lieutenant" of Jan Soldaat van

garnizoenen uit de buurt. Bij dit alles speelde mee, dat vele wegen, te water

en te land, gemakkelijk naar Bokhoven voerden. Veel priesters, vooral van de

in 1648 „opgeheven" Abdij van Berne, zouden te Bokhoven hun laatste rustplaats

vinden.

Omdat de heren van Bokhoven zich met geen wapenmacht tussen Spanje en

de Republiek konden handhaven, zullen ze doorgaans in Den Bosch of Heusden

met zwaar geld wel bijstand gekocht hebben. Als soldaten van Crêvecoeur

in 1637 de kerk van Bokhoven schenden, stuurt de baron zijn drossaard met

een kerkmeester naar graaf Willem van Nassau, gouverneur van Heusden, om

zijn beklag te doen. De kerkrekeningen vermelden, dat bij die gelegenheid

,een ocxhooft francen wijn' van 35 gulden aan Zijne Genade Graaf Willem werd

geoffreerd 26). Enkele dagen later volgt „op het aenschrijven van Graef Willem

van Nassau" een resolutie van de Raad van State, inhoudende „dat Bockhoven

(van) het placcaert van retorsie exempt was om dat het Luycks ofte Rijcks is

en daeromme van wegen desen Staet d'exercitie van de roomsche religie niet

verboden en wort" 27).

Den Bosch en de forten langs de Maas waren sinds 1629 wel in handen van de

Republiek, maar deze had er haar handen vol aan, om de vrije vaart op de

Maas tegen aanvallen van Spanjaarden vanuit de Meierij te beschermen. De

Staten legden daarom voor Bokhoven een oorlogsschip op de Maas. Op 11 november

1631 immers gaat Gevart Jacobssencock ende matroze" op „een

schip van oirloch wacht houdende voor.. Bockhoven" aan wal, niet o m te passagieren,

maar om in de herberg „Inde Drie Coninghen" van Melis Peterssen

voor de drossaard en getuigen een akte van volmacht te laten opmaken 28). In

1646 lag er nog een oorlogsbodem voor Bokhoven. Maar toch drongen enkele

tientallen zuidelijke soldaten tot de Maasoever door en overmeesterden het

beurtschip van Den Bosch op Gouda. Ze verscholen zich in het riet en rijshout,

schoten de schipper van het roer en dwongen het schip naar de kant. Een rijke

hoeveelheid koopmansgoederen, 12000 gulden aan zilver en 6 passagiers vielen

hun in handen 29). Kort daarna werd te Engelen het marktschip op Gorkum

buitgemaakt en even later werd weer een derde schip geroofd.

KRITIEKE TIJD VOOR VRIJHEID AAN DE MAAS

Wanneer in 1648 bij de vredesverdragen van Munster heel de Meierij aan de

Republiek komt, probeert deze ook een aantal vrije gebieden, zoals Bokhoven,

onder haar gezag te brengen. Men wilde deze gebieden om zichzelf, maar ook

omdat ze centra waren van bijzondere katholieke activiteit, die de voortgang

van de nieuwe leer erg in de weg stonden. Reeds eerder hadden twee predikanten

namens de Classis van Gorinchem erop gewezen, hoe gevaarlijk de

heerlijkheid Bokhoven en het dorp Nieuwkuyk in dit opzicht waren 30). Vanaf

1648 tracht men dan ook in Bokhoven een predikant aan te stellen 31). Maar de

bisschop van Luik beval in een missive van 20 juli 1648 aan de graaf van Bokhoven,

dat deze geen nieuwigheden op 't gebied van de religie mocht toelaten.

Nog in 1656-57 houden de stormlopen van de predikanten bij de Staten aan 32).

Maar terwijl de heerlijkheid Nieuwkuyk-Onsenoort, eveneens Luiks gebied, in

1648 door de Staten wordt in bezit genomen, ontspringt Bokhoven de dans.

Beerman zegt ervan: „De heeren verdedigden met vastberadenheid hun rechten,

wisten alle aanvallen van Staatse troepen te voorkomen, zij het dan ten

koste van aanzienlijke geldsommen, en bewaarden aldus hun vrijheid" 33).

HET RAMPJAAR EN ZIJN WONDERLIJK MYSTERIE

Was 1648 voor Bokhoven een belangrijk jaar, omdat het zijn vrijheid op politiek

en religieus terrein behield, ook het rampjaar 1672, dat voor de onderdrukte

katholieken kansen tot herstel meebracht, ging er niet ongemerkt voorbij. Bekend

is, dat toen de Franse legers van drie kanten Staats-Brabant binnenrukten,

de leiding van de vluchtende gereformeerde magistraten automatisch door

katholieken, voor een goed deel geestelijken, werd overgenomen. Ze traden

als tolken en bemiddelaars op, en wisten, vooral toen Lodewijk XIV zelf in

Brabant kwam, de ergste excessen van de Franse troepen' te voorkomen.

Waren er ook, die de vijand in de kaart speelden? Men zou het op voorhand

gaan denken, omdat de apostolische vicaris Joh. Bapt. van Neercassel op 16

september 1672 aan de kardinaal-prefect der Propaganda schrijft: „In het

Utrechtse is een prachtig landgoed door toedoen van de prins van Turenne

aan de abt van Berne teruggeschonken. Dit gunstbewijs heeft de abt vooral

verkregen, omdat een van zijn religieuzen er zeer veel toe heeft bijgedragen,

dat vier zwaar verdedigde forten, namelijk Crêvecoeur, Vooren, Sint Andries en

Engelen zich aan het Franse gezag hebben onderworpen" 34).

We weten 35), dat op Crêvecoeur en de schans van Engelen groot gebrek aan

levensmiddelen was, en dat de stad Den Bosch maar zeer ongaarne bijsprong.

Ook de Raad van State kwam zeer traag met zijn betalingen af. Hoe het met

Fort Sint Andries en de Voornschans boven Lith en Kessel allemaal gelopen

is, weten we niet. Van Crêvecoeur echter is bekend, dat het door Turenne

vanuit Empel en Bokhoven beschoten werd. Toen het fort zwaar beschadigd

was, dwong de muitende bezetting de bevelhebber tot onderhandelen. Tot de

val van Crêvecoeur toe verdedigde zich de schans van Engelen ook goed tegen

Turenne. Daarna vernagelde de bezetting de stukken, wierp ze in de gracht en

vluchtte 's nachts naar Den Bosch. Een wonderlijk gedrag, waarnaar de krijgsraad

later een onderzoek liet instellen!

De in bovengenoemde omstandigheden levende bezetting, waaronder zich ook

een aantal katholieken bevonden, zal wel te beïnvloeden geweest zijn geweest.

Maar wie moet dan die religieus van Berne geweest zijn, die dit gedaan heeft?

Van de topleiding der abdij, die in een vluchthuis bij Brussel verbleef, mag men

dat niet verwachten. De pastoors van de Brabantse parochies van de abdij waren

uitgeweken naar het Bedaf. Van de Hollandse parochies had alleen Bokhoven

kunnen standhouden. Daarom kan volgens ons alleen maar de pastoor

van Bokhoven, Gulielmus Quisthout, afkomstig uit Vilvoorde bij Brussel, hierbij

betrokken zijn geweest. Men denkt ook onwillekeurig aan zekere honorering

voor bewezen diensten, wanneer men nagaat, dat voornoemde pastoor in 1672

door de Zonnekoning benoemd wordt tot abt van.. Mariënweerd, want dat is

het prachtige landgoed, dat de abt van Berne teruggekregen had! Voor het

nieuwe Mariënweerd krijgt men een kerk en een huis te Zaltbommel 37) en de

hulp van een paar religieuzen der abdij van 't Park 38), om in de verloren traditie

van het kloosterleven thuis te raken.

Was het „verraad" echt, of berustte de mededeling van de Apost. Vicaris op

een roddelpraatje? Typisch is, dat Quisthout, reeds abt van Mariënweerd en

ook nog pastoor van Bokhoven, zijn kapelaan Bedix gelast om in de kerk van

Bokhoven een zeer merkwaardige afkondiging te doen. De abten van Berne en

Mariënweerd alsook heel de gemeenschap van Bokhoven lijken ten nauwste

erbij betrokken. De tekst luidt: „Jan Lammerts Stam is gereconsilieert met onse

Moeder de H. Kercke met kennisse van Eerw. Heer den Abt van Berna, den

Abt van Marieweert, Hr. Drossaert van Bouckhoven, kerckmeesters ende scepenen.."

39). Wat er van zij, de nieuwe abdij en abt Quisthout verdwenen weldra

met het vertrek van de Fransen van het toneel. Van het kasteel van Bokhoven

was toen nog slechts de voorburcht over; de rest was volgens een oncontroleerbare

mening uit 1810 40) in 1672 opgeblazen door de Fransen.

VAN DE ZONNEKONING TOT PICHEGRU

De eerste graaf en gravin hadden te Bokhoven nog hun luisterrijk praalgraf van

Artus Quellinus gekregen. In latere eeuwen, vooral na de verwoesting van het

eigenlijk kasteel, verblijven de heren steeds minder te Bokhoven. Hun rentmeesters

spelen dan een steeds grotere rol. Vooral in de gezapige 18e eeuw

verzeilt alles steeds meer in de kleine politiek der onderlinge machtsverhoudingen.

Abt en heer liggen jarenlang in geschil over het recht van aanstelling

van pastoors, kosters, kerkmeesters, schoolmeesters en armmeesters. Nog

ruimer van uitzicht is dan de van 1690-1706 tussen de stad 's-Hertogenbosch

en de heerlijkheid gevoerde „wilgenoorlog", waarbij tenminste de bisschop van

Luik en de Staten Generaal herhaaldelijk betrokken raakten 41). Uiteindelijk

worden de wilgen langs de Maas te Bokhoven, die voor de schippers een behoorlijk

jaag- en trekpad onmogelijk maakten, door een expeditieleger uit Den

Bosch, bestaande uit 6 man paardevolk, 30 voetknechten en 25 werklieden

geveld; de gerechtsbode uit Bokhoven kon hier niet tegen op.

De religieuze oase Bokhoven had natuurlijk ook haar bijzondere momenten. In

augustus 1699 diende er de Luikse wijbisschop Jean Anthoine Blavier het

vormsel toe 42). In 1793 zou de naar Bokhoven gevluchte aartsbisschop van

Lyon, Yves-Alexandre de Marbeuf, niet minder dan 10.806 personen uit 29 omliggende

plaatsen hebben gevormd 43). Bisschop Nelis van Antwerpen deed aan

de Bossche vicaris Andreas Aerts ook de toezegging, dat hij in Bokhoven zou

komen vormen 44); of het plan werd uitgevoerd is ons niet gebleken. Op 13

maart 1639 richtte de dominicaan pater Jan David de broederschap van de

H. Rozenkrans op 45); precies twee eeuwen later zou de verering van Sint Cor-

nelius met het verwerven van relikwieën haar oorsprong nemen 46).

Een kleine gemeenschap heeft ook haar lief en leed. Vreugde, wanneer de

graaf zijn „blijde incomste" deed en pastoor en rentmeester hun beste frans

oppoetsten. Smart, wanneer b.v. in 1655 in nauwelijks 21/2 maand 15 volwassenen

en 20 kinderen aan de pest bezweken 47), of toen op 17 november 1837

ineens 14 vrouwen en 1 man door het omslaan van de marktschuit verdronken

48). Voor Berne bleef Bokhoven steeds een soort vaderhuis in de tijd van

de verstrooiing (1648-1857).

HET LAATSTE KWARTIER VAN ZES EEUWEN BOKHOVEN

Tegen de Franse tijd schijnt er in Bokhoven meer leven te komen. Er is sprake

van een Franse school, de zaak van Jan Baptist van Gulpen, ordinaris drukker

van het graafschap, is er gevestigd en er wordt een paarden-zaagmolen vermeld.

Kapelaan Petrus Bekkers uit Berlicum probeert o m er tot de stichting

van een soort religieuze congregatie van jonge vrouwen te komen. De komst

van de graaf en een vrij groot aantal voorname Franse vluchtelingen moet op

de bevolking veel indruk gemaakt hebben. In augustus 1794 kwamen Franse

troepen te Bokhoven om er tot 27 december te blijven „hebbende 40 stuks

kanon met de nodige kruitwagens, welke alle rondom de kerk stonden" 49).

In 1795 veroveren de Fransen de Noordelijke Nederlanden en de Bataafse Republiek

wordt weldra geconstitueerd. Met andere kleine gebieden gaat Bokhoven

in 1800 als gecedeerde landen naar het Bataafse gemeenebest. De leenband

met Luik en met het Heilige Roomse Rijk houdt daarmee op. Kerkelijk valt

Bokhoven tot 1831 onder Luik, tot 1840 onder het apostolisch vicariaat van

Ravenstein, daarna onder Den Bosch.

De heerlijke en souvereine rechten van de graaf gingen in de Franse tijd grotendeels

verloren, al behield hij zijn persoonlijke bezittingen. Doch deze vielen

voortaan onder een gewone burgerlijke commune of gemeente. Vanaf 1815

ging deze tot Noord-Brabant behoren en ze bleef zelfstandig bestaan, tot ze op

1 januari 1922 met de gemeente Engelen verenigd werd en ook die naam ging

dragen. In januari 1928 werden de overgebleven heerlijkheidsrechten alsook

een grondgebied van bijna 150 hectaren door de laatste bezitters verkocht 50).

In de Tweede Wereldoorlog werd Bokhoven ogenschijnlijk onherstelbaar getroffen.

Dat het herrees, heeft het vooral aan pastoor Breugelmans te danken,

die de zijnen in hun zwaarste uren niet verliet.

 

NOTEN

1) J. DE FREMERY, Suppl. Oorkondenb. van H. en Z. Nr 84. Origineel: Archief Abdij van

Berne (A.A.B.), afd. I, II D, alsook: Kopieboek I, p. 23, nr 32.

2) A.A.B., afd. I, II M; Kopieboek I, p. 42, nr 92.

3) Inventaris van het archief der parochie Bokhoven. Heeswijk-Dinther, 1969. (Verder gec. als: Inv.).

4) Noord-Brab. Volksalm., 1842, p. 86.

5) Inv. 145, f. 7v etc. Stuk XI.

6) A.A.B., afd. I, III H; Kopieboek I, p. 208-209, nrs 453-454.

7) Inv. 145, f. 12v-13r. Stuk XVI.

8) A. VAN SASSE VAN YSSELT, De voorname hulzen.., deel 1, p. 387-400.

9) Inv. 232, f. 13v-16r. Stuk 17. Vgl.: Inv. 519.

10) Den Bosch, R. 1258, f. 209.

11) Inv. 473, f. 17r.

12) Inv. 488, f. 14r. Vgl.: Inv. 232, f. 37r.

13) Tax., 28 (1921), p. 67-68.

14) J. VAN OUDENHOVEN, Beschr. v. h. Landt v. Heusden (A'dam, 1650), p. 11; J. VAN DER AA, Aardr. Wb., deel 11, p. 636.

15) Nw. Ned. Biogr. Wb., 3, kol. 325-326.

16) R.A., Den Bosch. „Commissie Breda nr 243".

17) Tax., 7 (1900), p. 105.

18) L. PIRENNE, 's-Hertogenbosch tussen Atrecht en Utrecht, p. 237.

19) Inv. 274, f. 10r.

20) M. G. Tr., 8 (1958), p. 159-160.

21) Inv. 274, f. 10r.

22) Arch. Aartsb. Utr., 14 (1886), p. 425; A.A.B., afd. I, V B; Kopieboek II, p. 364.

23) Inv. 277, f. 10r.

24) Inv. 512.

25) Inv. 145, f. 25r.; Inv. 232, f. 31r-32r.

26) Inv. 285, f. 13V.

27) A.A.B., Map proces In Bokhoven onder prelaat Van Heek.

28) R.A., Den Bosch. Rechterlijk Archief Bokhoven, port. 11.

29) J. HEZENMANS, 's-Hertogenbosch van 1629-1798, p. 102. Vgl.: p. 89-90.

30) Arch. v. d. gesch. der kath. kerk in Ned., 8 (1966), p. 47.

31) J. HEZENMANS, a.W., p. 127-128.

32) A.A.B., Map proces In Bokhoven onder prelaat Van Heek.

33) V. BEERMANN, Stad en Meierij van 's-Hertogenbosch van 1648-1672, p. 6.

34) Arch. Aartsb. Utr., 20 (1893), p. 408, 419.

35) J. HEZENMANS, a.W., p. 278, 281-282.

36) Nw. Ned. Biogr. Wb., 6. kol. 1157.

37) Arch. Aartsb. Utr., 15 (1887), p. 256.

38) R. VAN WAEFELGHEM, Le nécrologe de l'abbaye du Pare, p. 76-77, 455-456.

39) Inv. 9.

40) De Dletsche Warande, Nw. reeks, deel 1 (1876), p. 258.

41) Noord-Brab. Volksalm., 1842, p. 91-93.

42) Inv. 470, f. 40v.

43) Inv. 473, f. 78v.

44) P. POLMAN, Kath. Ned. in de 18e eeuw, deel 3, p. 61.

45) Inv. 437-438. Vgl.: Inv. 287, f. 14r; Inv. 288, f. 9v-10r.

46) Inv. 440.

47) Inv.

41) Noord-Brab. Volksalm., 1842, p. 91-93.

42) Inv. 470, f. 40v.

43) Inv. 473, f. 78v.

44) P. POLMAN, Kath. Ned. in de 18e eeuw, deel 3, p. 61.

45) Inv. 437-438. Vgl.: Inv. 287, f. 14r; Inv. 288, f. 9v-10r.

46) Inv. 440.

47) Inv. 64, f. 100r-v.

48) M. G. Tr., 3 (1953), p. 99-102, 118-123, 129-130.

49) Inv. 473, f. 34v.

50) Catalogus van de openbare verkoping van het landgoed Bokhoven met de daaraan verbonden heerlljkheidsrechten..