TOELICHTING bij de Apostolische
Geloofsbelijdenis
G. van de Velden o.praem.
Heeswijk - oktober 2001
[Illustraties en links toegevoegd door web designer]
[For a summary in
English refer to: The Creed of a Village Pastor]
|
VOORWOORD Men klaagt tegenwoordig over het toenemend ongeloof in het algemeen en
van de jongeren in het bijzonder, ook van de jeugd uit vanouds praktiserende
rooms-katholieke gezinnen. Jongens en meisjes hebben er een hekel aan om met hun ouders mee naar de
kerk te moeten gaan. Familie Van der Velden, 1917 |
|
Er zijn redenen aan te voeren voor deze afkeer. Ton Baeten, o.praem. geeft
in zijn boek Op-sporen [link] als reden dat de eigen
geloofservaringen geen aansluiting vinden bij de leer van de institutionele
kerken, zoals deze nog regelmatig worden gepresenteerd. Een andere reden is van
meer wetenschappelijke aard. De geloofswaarheden worden in liturgie en
catechese nog steeds voorgehouden in het wereldbeeld en het cultureel milieu
van uit de dagen dat de bijbelse geschriften geschreven zijn. Men weet nu heel
goed, dat de aarde niet het middelpunt van de schepping is; dat de aarde
slechts een uiterst klein planeetje is in een ongelooflijk uitgestrekt heelal;
dat er door het kosmisch evolutieproces misschien wel duizenden planeten
bestaan waar menselijk leven is ontstaan met alle consequenties van dien, dat
niet alle mensen op aarde afstammen van een mensenpaar; dat het hiernamaals
geen driedimensionale ruimte is; dat Jezus van Nazareth niet almachtig en
alwetend was tijdens zijn aardse bestaan; en ga zo maar door. De volgende
kritische aantekeningen bij de Geloofsbelijdenis kunnen helpen, trouw aan de
kerk te blijven.
KRITISCHE AANTEKENINGEN BIJ DE GELOOFSBELIJDENIS
|
De Latijnse tekst van het Symbolum Apostolicum: Credo in Deum Patrem omnipotentem, creatorem coeli et terrae, et in Iesum
Christum, Filium eius unicum, Dominum nostrum, qui conceptus est de Spiritu
Sancto, natus ex Maria Virgine, passus sub Pontio Pilato, crucifixus, mortuus
et sepultus, descendit ad inferna, tertia die resurrexit a mortuis, ascendit
ad coelos, sedet ad dextram Dei Patris omnipotentis, inde venturus est
iudicare vivos et mortuos, credo in Spiritum Sanctum, sanctam Ecclesiam
catholicam, sanctorum communionem, remissionem peccatorum, carnis
resurrectionem, et vitam aeternam. |
De gebruikelijke Nederlandse vertaling: Ik geloof in God, de almachtige Vader, Schepper van hemel en aarde. En in
Jezus Christus zijn enige Zoon onze Heer, die ontvangen is van de heilige
Geest, geboren uit de maagd Maria, die geleden heeft onder Pontius Pilatus,
is gekruisigd, gestorven en begraven, die nedergedaald is ter helle, de derde
dag verrezen uit de doden, die opgestegen is ten hemel, zit aan de
rechterhand van God, de almachtige Vader, vandaar zal hij komen oordelen de
levenden en de doden. Ik geloof in de heilige Geest, de heilige katholieke
kerk, de gemeenschap van de heiligen, de vergeving van de zonden, de
verrijzenis van het lichaam, en het eeuwig leven. |
1 - IK
Als vele gelovigen bij de Eucharistieviering bijeen zijn, een eenheid
vormen verbonden met Christus zou men verwachten dat men laat bidden: Wij
geloven. Overal in de Heilige Mis laat men de gelovigen bidden met 'Wij' en
'ONS', behalve bij de Schuldbelijdenis, die begint ook met 'ik'. Maar hier
staat aan het slot 'tot de Heer onze God', zoals ook in de derde regel van de
Geloofsbelijdenis. In het Evangelie van Mattheus leert Jezus Zijn leerlingen
aldus te bidden: 'Onze Vader die in de hemel zijt'.
Ook als men individueel bidt, wordt verondersteld dat men zo in de
meervoudsvorm zich tot God richt. Hoeveel te meer is er reden om van 'Ons en
'Wij' te spreken in de Heilige Mis, waar allen innig met Christus verbonden
zijn, zodat men spreekt van 'Het mystieke lichaam van Christus'. Niemand zal er
over vallen dat men hierin tot nu toe niet consequent is geweest, maar het is
een onevenwichtigheid, die wellicht in de toekomst bij een herziening van de
teksten voor de Eucharistieviering kan vermeden worden. In het bekende werk van
Denzinger Enchiridion Symbolorum staan na het onder havige nog vijf
Geloofsbelijdenissen die alle vijf beginnen met 'Credimus' (Wij geloven), alsof
men begrepen heeft, dat het zinvoller is met 'Wij' dan met 'Ik' te beginnen.
2 - GELOOF
Het woord geloven wordt in twee betekenissen gebruikt. Als iemand iets
beweert, en men is het met hem eens, dan zegt men dikwijls, dat geloof ik ook.
Als men zegt: 'Ik geloof in God', kan dit eenvoudig betekenen dat men aanneemt
dat er een God bestaat. Het kan natuurlijk ook in de godsdienstige zin verstaan
worden, dat men in God gelooft, die zich op buitennatuurlijke wijze aan ons
heeft openbaard. Alvorens in de God van de Openbaring te geloven, moet men
eerst geloven in God in de eerste betekenis van dit woord en dus op grond van
onze kennis langs de weg van onze zintuigen en ons natuurlijk denkvermogen.
3 - IN GOD
Met
onze zintuigen nemen we een stoffelijke wereld waar, waartoe ook wij mensen
behoren. Van alle dingen, die we in de stoffelijke wereld waarnemen,
constateren we, dat ze komen en weer verdwijnen. En als het levende wezens
betreft zoals planten, dieren en mensen, dat ze tot bestaan komen en sterven.
Als we hier nu aandacht schenken aan de mensen, zoals ze leven in deze
zichtbare, stoffelijke wereld dan constateert elke mens dat hij zijn bestaan en
voortbestaan, zijn doen en laten, niet in zijn macht heeft. Het leven kan hem
ieder ogenblik ontvallen, zijn activiteit kan plotseling ophouden. Hij heeft er
niets over te vertellen. ledereen ervaart dat elk ogenblik van zijn leven. Men
kan natuurlijk zeggen: dat ik er ben, dat heb ik aan mijn ouders te danken.
Maar dit verklaart mijn bestaan niet. Want ook die ouders ervaren of hebben in
hun leven ervaren, dat ze hun bestaan en voortbestaan te danken hebben of
hadden aan iets of iemand buiten hen om.
|
De enige verklaring voor
het bestaan, voortbestaan, het doen en laten van alle levende wezens, en
evenzeer voor de niet-levende wezens, de aarde, ons zonnestelsel, de
melkwegen, is hierin gelegen, dat er een wezen moet bestaan, dat zijn bestaan
niet aan een ander te danken heeft, maar dat bestaat krachtens zijn wezen,
dat het-er-zijn als wezenskenmerk heeft, en dat wezen noemen we God. Michelangelo's Creation
|
|
Als deze God er niet was, bestond er niets. Dit is overduidelijk. Toch zijn
er, naar men zegt, mensen, en vooral jongeren, die beweren dat ze niet in het
bestaan van God geloven. Het klinkt triest. Maar het is misschien toch te
begrijpen. Laat ze eens vertellen, hoe ze zich de God, die ze verwerpen,
voorstellen.
Vermoedelijk zullen we dan allemaal moeten zeggen: In zo'n God geloof ik
niet. De kinderlijke voorstelling van God, die velen als kind van huis uit
hebben meegekregen is van dien aard, dat men die terecht verwerpt.
4 - DE ALMACHTIGE VADER
|
Het woord 'Vader' wordt in betrekking tot God in twee betekenissen
gebruikt. Vooreerst ten overstaan van ons, Zijn schepselen. God is voor ons
mensen vol aandacht, liefde en zorg, zoals een aardse vader dat voor zijn
kinderen is. In het gebed, dat Christus ons leerde, het zogenaamde Onze Vader
is het woord 'Vader' in deze betekenis te verstaan. Ook in het vierde punt
van de Geloofsbelijdenis wordt het woord 'Vader' in deze zin gebruikt. God de
Vader wordt almachtig genoemd. Alleen het in zich onmogelijke kan God ook
niet tot stand brengen. Hij kan geen vierkante cirkel tekenen en ook niet
zoals wij schepselen optreden. Hij kan niet spreken, niet iets betasten en
noem maar op. Zijn almacht heeft hij ook beperkt door schepselen tot het
bestaan te laten komen, die over vrije wil beschikken. Hij respecteert de
vrijewilsdaden van de afzonderlijke mensen en van de mensen die gezamenlijk
iets ondernemen of toelaten. Van veel rampen zijn de mensen de schuld. In
zulke gevallen moeten we niet zeggen: waarom grijpt God niet in. Michelangelo's Image of God the
Father |
|
Het woord 'Vader' wordt daarnaast in een geheel andere betekenis genomen.
Om het mysterie in God, waarin men afhankelijkheidsrelaties aanneemt, worden
die relaties toegelicht met ons uit het dagelijkse leven bekende relaties. Zo
is men gaan spreken van God de Vader, en God de Zoon. De evangelist Johannes
geeft een veel spiritueler toelichting op die afhankelijksheidsrelaties. Hij
begint zijn evangelie met de woorden: 'In het begin was het Woord en het Woord
was bij God, en het Woord was God'. Het gaat bij hem om de relatie tussen een
spreker en zijn gesproken woord. Waar anderen zeggen: 'Jezus is de mens
geworden Zoon van God', zegt hij: En het Woord is vlees geworden'. In beide
gevallen moet men bedenken dat het om pogingen gaat, om het mysterie, dat in
God aanwezig is, met menselijke vergelijkingen toe te lichten. Er is dus geen echt
vaderschap en zoonschap in God, en ook geen spreken en geen gesproken woord in
God. Mogelijk moet hier gedacht worden aan God als hebbende een beeld van
Zichzelf, dat in het ene geval Zoon van God, en in het andere geval Woord van
God wordt genoemd (zie 2 Kor.4-4). Dat er in God van geen echt vaderschap kan
worden gesproken, wordt gemakkelijk vergeten. God de Vader wordt echt als de
vader van Jezus voorgesteld. En waar een mens geen twee vaders kan hebben,
wordt Jozef als de vader van Jezus afgewezen.
5 - SCHEPPER
Het schepper-zijn van God wordt gemakkelijk verkeerd verstaan. Men spreekt
van het scheppen uit het niets, alsof er eerst niets was en dat God daarna door
de scheppingsdaad iets laat ontstaan. God is van alle eeuwigheid schepper en
zet Zijn scheppingswerk voort door de schepselen te laten voortbestaan. Van een
kunstenaar zeggen we ook, dat hij een kunstwerk heeft geschapen. Maar een
kunstenaar bewerkt niet het voortbestaan van zijn kunstwerk. Als hij dood gaat
blijft zijn werk voortbestaan zonder hem. Er is nog iets bijzonders in het
scheppingswerk van God. In die schepping heeft een evolutie plaats, die we
kosmische evolutie noemen. Er heeft in de schepping een ontwikkeling plaats van
dode stof naar plantaardig leven bezittende stof, van plantaardig leven naar
dierlijk leven en van dierlijk-leven-zonder-meer naar dierlijk leven met
verstand en vrije wil, met alle overgangen en variaties, die daarbij optreden.
Dat er mensen op aarde leven komt niet hier vandaan, dat God op een goede dag
op het idee kwam: Kom laat ik ook eens mensen op aarde zetten. De
scheppingsverhalen in de Bijbel zijn mooie staaltjes van literatuur, maar
moeten niet als ware gebeurtenissen worden beschouwd en behandeld.
Dat alle mensen op aarde van een echtpaar afstammen is geen
openbaringsgegeven. Men mag verwachten, dat er krachtens die kosmische evolutie
ook elders in het onmetelijk heelal wezens ontstaan zijn, eveneens met verstand
en vrije wil begiftigd, maar wellicht van een totaal andere gestalte. Toch
wordt er nog regelmatig teruggegrepen op gegevens in de scheppingsverhalen. Men
noemt Christus de nieuwe Adam, en Maria de nieuwe Eva. De zondeval van Adam en
Eva zou tot gevolg hebben, dat er van

erfzonde kan worden gesproken. Het is dan ook uit de lucht gegrepen om te
beweren, dat Maria zonder erfzonde ter wereld is gekomen. Er is reden om aan te
nemen, dat alle mensen vrij van zonde ter wereld komen. Om de verscheidenheid
van rassen, talen en culturen te verklaren, heeft men in het Oude Testament het
verhaal verzonnen van de bouw van de toren van Babel. Aan een evolutieproces
werd in het Oude Verbond niet gedacht en zelfs in het Nieuwe Verbond is men
daarvan onkundig. De tweederangs positie van de vrouw in de geschriften van het
Nieuwe Testament gaat terug op de bijbelse voorstelling, dat God eerst de man
heeft geschapen en dat de vrouw uit een rib van Adam is gemaakt! Zo
bijvoorbeeld in de eerste brief van Paulus aan de gelovigen van Korinte,
hoofdstuk 11 de verzen 2 tot 16. Daar staat te lezen: 'Ik verzoek u wel te bedenken,
dat Christus het hoofd is van iedere man, maar de man het hoofd van de vrouw'.
En: 'De man komt niet voort uit de vrouw, maar de vrouw uit de man'. De
geschriften van de Bijbel beperken zich tot het uiterst nietig planeetje aarde.
Ook het optreden van Christus op aarde. Christus de Heer van heel de schepping
noemen slaat nergens op. Dit geldt wel voor de Tweede Persoon van de
Drieëenheid, maar niet voor zover Hij mens geworden is. Christus was in Zijn
aardse leven niet alwetend noch almachtig. Hij heeft als kleuter alles van Zijn
moeder moeten leren: spreken, lopen enz. Men kan niet aannemen, dat Hij maar
gedaan heeft alsof Hij van niets wist en niets kon. Als er op andere plaatsen
in het heelal ook wezens met verstand en vrije wil zijn ontstaan, die dan ook
wel tot zonden zijn gekomen heeft onze Christus daar niets mee te maken.
6 - VAN HEMEL EN AARDE
Het boek Genesis begint met de woorden: 'In het begin schiep God hemel en
aarde'. En als men dan verder leest, komt men tot de conclusie dat met de hemel
het uitspansel bedoeld is, dat de scheiding betekende tussen het water boven
het uitspansel en het water onder het uitspansel. Heel de schepping omvatte
volgens dit wereldbeeld slechts de aarde en daarboven het hemelgewelf als een
stolp of koepel, waarboven God woonde. De aarde werd bovendien gezien als een
platte schijf. Dit bijbelse wereldbeeld is volkomen achterhaald.
|
We weten sinds lang, dat de aarde een bolvormige planeet is, die rond de
zon draait naast andere planeten. En deze zon is een van de vele zonnen met
haar planeten, die samen de geweldig uitgestrekte melkweg vormen. En deze
melkweg is op zijn beurt een van wel een miljoen melkwegen. De aarde is
slechts een uiterst klein kruimeltje in heel de zichtbare schepping. |
De vraag rijst, of God ook nog een wereld van onstoffelijke wezens heeft
geschapen, waarvoor het woord engelen bestaat. Met onze menselijke kenvermogens
kennen we het bestaan van engelen niet. Als ze toch bestaan, moet God dat aan
ons hebben geopenbaard en hebben we in dit geval met een waar geloofsmysterie
te doen. Geloofsgeheimen kennen we uit de Heilige Schrift en de overlevering.
In de in 1995 verschenen Nederlandse vertaling van de voor alle
aardbewoners bestemde Catechismus van de Katholieke Kerk staat op blad
zijde 82: 'Het bestaan van geestelijke, niet-lichamelijk wezens die de Schrift
gewoonlijk engelen noemt, is een geloofswaarheid.' Er wordt niet verwezen naar
een officiele dogmaverklaring, maar men volstaat met: 'Het getuigenis van de
schrift is even duidelijk als de eenstemmigheid in de Overlevering dat is'.
Deze argumenten zijn uiterst zwak. Er staat zoveel in de Heilige schrift
geschreven, en er is zoveel door de Heilige Kerk als geopenbaarde waarheid
verkondigd, waar men toch van is teruggekomen, dat aan bestaan van engelen, en
daarmee samenhangend, het bestaan van boze geesten of duivels mag getwijfeld
worden. Het woord engel komt in de Heilige Schrift vaak voor. De vraag is maar,
of er dan naar de bedoelde geestelijke schepselen verwezen wordt. Ook in onze
eigen taal zeggen we van een vriendelijke, behulpzame persoon: Je bent een
engel. Er zijn heel wat plaatsen in het Oude Testament, waarin gesproken wordt
van 'de engel van de Heer'. Maar hiermee wordt God zelf bedoeld.
|
Anagram
van onbekende auteur |
Neem Genesis (16/7-11). Daar is, naar aan1eiding van de geschiedenis over Sara, de vrouw van
Abraham, en Hagar haar slavin, sprake van de 'engel van de Heer', die tegen
Hagar zei: 'Ga naar uw meesteres terug en dien haar'. |
Maar deze engel is God zelf, want even verder staat in de tekst: 'Toen gaf
zij de Heer, die tegen haar gesproken had, een naam: Eiroi. Want dacht zij, ik
heb God werkelijk gezien'. In Exodus (3/2-3) staat: 'Toen verscheen aan Mozes
de engel van de Heer in een vuur, dat opvlamde uit een doornstruik ... Hij
dacht: 'Ik ga erop af ...' De Heer zag hem naderbij komen om te kijken'. Zulke
teksten zijn er vele. Telkens blijkt, dat met de engel geen geschapen
geestelijk wezen is bedoeld is, maar God zelf. De schrijvers van de boeken van
het Oude Testament en hun tijdgenoten hadden zoveel respect voor God, dat ze er
huiverig voor waren, Hem zomaar te noemen en te laten optreden. In het Nieuwe
Testament zijn de daar genoemde engelen boodschappers van God in
mensengedaante: Michaël. Rafaël en Gabriël.
|
Michaël wordt genoemd in
het boek Apocalyps (12-7). Daar leest men: 'Toen brak er in de hemel een oorlog uit. Michaël en zijn engelen vochten tegen de draak, en de draak en zijn
engelen vochten terug, alsof er een veldslag in de hemel (die men als een
driedimensionale ruimte zag) heeft plaats gehad. Dit geschrift, waarin heel veel engelen genoemd worden, is geen bron voor
historische gegevens. |
|
Voor de engel Rafaël moet men het boek Tobit opslaan. In hoofdstuk 5 staat:
'Tobias ging iemand zoeken en hij vond Rafaël. Dit was een engel, maar Tobias
wist dit niet'. Ook hier is met engel een mens bedoeld waar God achter stond.
En als het over de engel Gabriël gaat komt men in het Nieuwe Testament terecht.
In de Evangeliën laat men engelen optreden in de gebeurtenissen rond de
geboorte van Christus en rond zijn heengaan uit deze wereld. Maar de Evangeliën
zijn geen geschiedenisboeken. Zij geven geen biografieën van Jezus. De
Bijbelwetenschap is reeds geruime tijd tot de overtuiging gekomen, dat we te
doen hebben met verhalen, waarin men het geloof in de Messias onder woorden
probeerde te brengen in de trant, waarin men ook in het Oude Testament te werk
ging. Als het waar zou zijn, dat God aan een engel de opdracht geeft, om op
aarde een boodschap door te geven, zoals in het geval van de engel Gabriël, dan
was die engel toch uit zichzelf niet in staat, zich een menselijk lichaam met
de nodige kleding aan te schaffen, zich verstaanbaar te maken. God zal dit
allemaal moeten doen. Maar dan is een engel overbodig. Onafhankelijk van dit
alles is het toch al moeilijk te begrijpen, dat er engelen, louter geestelijke
wezens door God zijn geschapen. Ook hier moet gelden, dat God ze van alle
eeuwigheid heeft geschapen en dat hun getal wel enorm talrijk moet zijn evenals
het aantal zonnen met haar planeten. Er wordt gesproken over verschillende
soorten van engelen, rangen: engelen, aartsengelen, serafijnen, cherubijnen,
zoals men in het leger spreekt van gewone soldaten, sergeanten, luitenanten,
korporaals, kolonels, generaaIs. Waarin bestaat dat verschil?
En dan het be-staan van gevallen engelen, boze geesten, duivels. Wanneer
heeft hun zondeval plaats gehad? Is dat maar een keer gebeurd? Is er voor hen
geen mogelijkheid tot bekering en vergeving? Er is geen plaats voor
engelbewaarders en voor duiveluitdrijvingen.
7 - EN IN JEZUS CHRISTUS
|
|
Dat er een mens heeft geleefd met de naam Jezus is een historisch gegeven
en dus geen geloofsgeheim. Deze historische persoon is zo'n belangrijke en unieke, dat over heel de
wereld de jaartelling geregeld wordt met vóór en ná Zijn geboorte. Na Zijn dood is een omvangrijke literatuur over zijn doen en laten en
Zijn Blijde Boodschap ontstaan, waarvan de verspreiding in vele talen over
heel de wereld nog steeds doorgaat. Christus betekent Gezalfde. Dit is in de Bijbel een gebruikelijk woord,
om aan te duiden dat de betrokken persoon bij God een bevoorrechte plaats
inneemt. |
8 - ZIJN ENIGE ZOON
Hier springt de Geloofsbelijdenis plotseling over op de tweede betekenis
van het woord Vader, omdat hier sprake is van God de Zoon. Die wisseling van
het woord Vader in de twee betekenissen komt ook in de boeken van het Nieuwe
Testament voor. Toen Christus aan het kruis hing bad hij: 'Vader, vergeef het
hun, want ze weten niet wat ze doen', en even later: 'Vader in uw handen beveel
ik mijn geest'. Er is alles voor te zeggen dat Christus die zich regelmatig
Mensenzoon noemt, hier als de lijdende mens sprak en dus tot God als Vader in
de eerste betekenis van dit woord, zoals in punt 4 werd aangegeven. Bij
Johannes in zijn Evangelie (1-14) staat daarentegen: 'de heerlijkheid, die Hij
als eniggeboren Zoon aan de Vader ontleende'. Hier is het woord vader duidelijk
in de tweede betekenis genomen. Ook waar Jezus zegt (2-16): 'Maak van het huis
van mijn Vader geen markt' moet weer aan vader in de tweede betekenis worden
gedacht, omdat er van 'mijn' wordt gesproken.
9 - ONZE HEER
Het woord Heer is weer aan ons taalgebruik ontleend. De vorsten op aarde
worden heren genoemd. Zij heersen over een bepaald gebied. Zo spreekt men van
de heren van Heusden. Jezus Christus is de Heer op een geheel andere wijze,
over een geheel ander soort gebied, waarvan we de aard en het wezen alleen door
Goddelijke Openbaring kennen. Hier hebben we dus met een geloofsgeheim te doen.
De heerschappij van Christus beperkt zich tot de aarde. Christus, Koning van
het heelal noemen (op de laatste zondag door het jaar) is onjuist.
10- GEBOREN UIT DE MAAGD MARIA
Dat Jezus geboren is uit Maria is een historisch gegeven en dus geen
geloofsobject. Maar het woord maagd roept problemen op. Vooreerst moet worden
opgemerkt, dat in het Oude Testament, en daartoe behoorde Maria toen nog, het
maagdzijn geen levensideaal was. Integendeel. Geen kind ter wereld brengen was
voor een vrouw een beproeving. Hoe blij waren de buren en familieleden van
Elisabeth, de nicht van Maria, toen ze vernamen, dat zij ondanks haar hoge
leeftijd toch nog een kind had gekregen. Maria leefde als jong meisje ten volle
volgens de opvattingen van die dagen. Daarin kende men uit het
scheppingsverhaal de opdracht: 'Wees vruchtbaar en word talrijk, bevolk de
aarde'. Daar komt nog bij, dat men toen leefde in de verwachting van de
spoedige komst van de Messias. Ieder meisje hoopte in stilte, dat zij moeder
van de Messias zou worden. Maria was daarom reeds verliefd op een jonge man,
met wie ze wilde trouwen en waarmee zij volgens de toenmalige gebruiken en ook
nu nog, eerst verloofd was. Volgens de foutieve opvatting van die dagen was de
man de verwekker van nieuw leven. Wat hij bij de geslachtsgemeenschap in het
lichaam van de vrouw bracht, was, zo meende men, een zaadje als kiem van nieuw
leven. Dit zaad hoefde hij slechts in de schoot van de vrouw te brengen, zoals
men bijvoorbeeld een eikel in de schoot van de aarde legt, om deze eikel tot
een boom te laten opgroeien. Maar de wetenschap op dit gebied heeft aan het
licht gebracht, dat wat de man in de schoot van de vrouw brengt, geen zaadje
is, al heeft men het woord 'mannelijk zaad' tot op de dag van vandaag
gehandhaafd. Om in de terminologie van de plantkunde te blijven, zou men moeten
spreken van stuifmeelkorrel. De verbinding van de mannelijke stuifmeelkorrel
met het vrouwelijk vruchtbeginsel levert pas een zaadje op, het embryo, dat tot
een mens kan uitgroeien. Op grond van de foutieve opvatting van het aandeel van
de man in de voortplanting moest Jozef wel uitdrukkelijk worden uitgeschakeld.
De kerk leert immers dat Jezus Christus de Zoon van God is in een veel
letterlijke betekenis dat wanneer bij voorbeeld ook de koningen in het Oude
Testament zonen van God werden genoemd. Op die foutieve opvatting steunt dan
ook het verhaal van de boodschap van de engel Gabriël aan Maria. Hierin laat
men Maria zeggen dat zij geen man bekent, dat wil zeggen geen
geslachtsgemeenschap met Jozef heeft gehad. In het Oude Testament wordt heel
nadrukkelijk als traditie doorgegeven, dat de Messias uit het huis van David
zou stammen. Dan moet men aannemen, dat Jezus een afstammeling van Jozef is.
Men kan toch niet zeggen, dat God de Vader tot het geslacht van David behoorde.
In de stamboom van Jezus volgens het Evangelie van Lucas (3-23) staat: 'Naar
men aannam was Hij (Jezus Christus) de zoon van Jozef, de zoon van Levi'
enzovoorts. En het Evangelie van Matthëus begint met de woorden: 'Afstamming
van Jezus Christus, de zoon van Abraham'. En aan het slot van de stamboom
staat: 'Jacob was de vader van Jozef, de man van Maria, uit wie Jezus geboren
is'. In de Evangeliën wordt dan ook normaal gesproken over Jozef als de vader
van Jezus. In het Evangelie van Matteüs (13/54-55) staat: 'Waar heeft hij de
wijsheid en machtige daden vandaan. Dat is toch de zoon van de timmerman? Zijn
moeder heet toch Maria en Jacobus Simon en Juda zijn toch zijn broers? Zijn
zusters wonen toch allemaal bij ons? De conclusie wordt dan, dat Maria geen
maagd is geweest in de gebruikelijke betekenis van dit woord. Zij is alleen
maagd te noemen voor zover haar zoon 'Zoon van God' was. Daar is geen man aan
te pas gekomen. Voor Jezus als mens is de grondslag gelegd bij het ontstaan van
het embryo, en daarvoor is Jozef nodig geweest. Maar toen dit embryo zover
ontwikkeld was om een menselijke wezen te laten ontstaan en dus een mens in
zijn allereerste begin heeft God zich met die mens verenigd tot de Godmens
Jezus Christus. Bij dit laatste is, zoals hiervoor reeds werd opgemerkt, geen
man te pas gekomen, in zoverre kan men Maria maagd noemen. Maria de 'Koningin
van de maagden' noemen wekt verwarring.
Dit suggereert, dat Maria op dezelfde wijze maagd is geweest als de heilige
vrouwen, die als maagden worden vereerd. Na de voorafgaande punten 7, 8, 9 en
10 mag hier ter verduidelijking opnieuw de vraag worden gesteld: Wie was de
vader van Jezus Christus? De apostelen en verdere discipelen van
Jezus-de-Messias hadden na zijn dood ervaren, dat hij nog leefde en Zijn werk
van de verkondiging en vervulling van Zijn Blijde Boodschap nog steeds
voortzette. Ze kwamen tot de conclusie, dat iets goddelijks, God, in Hem
aanwezig en werkzaam was. En omdat men in God iets drievoudigs (relaties of
onderlinge betrekkingen) aannam, kwam men, om dit mysterie met menselijke
woorden en voorstellingen toe te lichten tot het spreken van God de Vader, God
de Zoon, en de Heilige Geest. Men ging verder, en vond een verklaring voor het
goddelijke, dat ze in Jezus ontdekt hadden, door aan te nemen, dat God de Zoon
in Hem mens was geworden. En dan lag het verder voor de hand dat God-de-Vader
de vader van Jezus Christus is. Alles wijst er op dat men nog de mening was
toegedaan, dat in de voortplanting de man de hoofdrol speelt. Zoals hierboven
reeds uiteen gezet werd, is deze opvatting volkomen achterhaald. Man en vrouw
hebben een gelijke rol in de voortplanting. Samen vormen zij het embryo, dat
een menselijk zaadje is, dat tot het ontstaan van een mens evolueert. Als men
dit had geweten toen men is gaan spreken van: God de Vader, de Zoon en de
Heilige Geest, dan zou men in plaats van de Heilige Geest gesproken hebben van:
God de Moeder. Omdat de vrouw onontbeerlijk is voor het ontstaan van een
mensenkind, zou God de Vader met Maria het embryo tot stand hebben moeten
brengen in haar schoot, waaruit na negen maanden bij de bevalling de baby Jezus
te voorschijn is gekomen. Dit is toch wel uiterst wonderlijk en
ongeloofwaardig. Maar daar komt nog iets anders bij. We spreken wel van God de
Vader en van God de Zoon. maar dit is slechts een menselijke poging, om het
mysterie 'God' enigszins toe te lichten. Van echt vaderschap is in God geen
sprake. Als men de vraag stelt: Wie is de vader van Jezus Christus?, kan men
niet naar God-de-Vader verwijzen. Er zit niets anders op, dan Jozef, de man van
Maria, als enige vader aan te wijzen. God was wel op een heel bijzondere wjjze
werkzaam en aanwezig in de Messias, zoals Hij ook achter het optreden van de
Oudtestamentische profeten stond.
|
11 - DIE GELEDEN HEEFT ONDER PONTlUS PILATUS Pontius Pilatus is een historische figuur. Hij is door Keizer Tiberius in
het twaalfde jaar van zijn regering tot de vijfde procurator van Judea
benoemd. Hij vervulde deze functie van 26 tot 36 na Christus. We hebben hier
dus niet met een geloofsgeheim te doen. |
|
12
- IS GEKRUISIGD, GESTORVEN EN BEGRAVEN Dit
zijn historische gegevens geen geloofsgeheimen. Het is wel jammer, dat de ter
doodveroordeling van Jezus in de archivalische gegevens over Pontius Pilatus
in Rome niet (of niet meer?) aanwezig is. Uitreiking Eerste
Heilige Communie 1974 Op de achtergrond
de gebeeldhouwde preekstoel van de kerk van Bokhoven |
13 - DIE NEDERGEDAALD IS TER HELLE
Hier stuiten we op een uiterst vreemde, en toch als geloofspunt
voorgehouden uitspraak. Bij het woord hel moeten we niet denken aan de plaats
van de verdoemden, aan het vuur van de hel en evenmin aan vagevuur. Van vuur of
van iets dat daarop lijkt kan geen sprake zijn. Men sprak vroeger ook wel van
voorgeborchte, de plaats waar de mensen van het Oude Testament, die Gods
geboden trouw hadden vervuld, moesten wachten op de Messias, die ook voor hen
de toegang tot het hemelgeluk moest openen. De woorden 'die nedergedaald is ter
helle horen in een hedendaagse geloofsbelijdenis niet meer thuis.
14 - DE DERDE DAG VERREZEN UIT DE DODEN
Dit geloofsgeheim betreffende de Verrijzenis van de Heer (op de derde dag)
vindt men op dezelfde wijze geformuleerd in de geschriften van het Nieuwe
Testament. Het gevolg is, dat de massa van de christenen de gedachte is
toegedaan, dat Jezus werkelijk uit zijn grafruimte is opgestaan, nog geruime
tijd op aarde heeft geleefd, Zich aan de apostelen en anderen heeft getoond en
veertig dagen na Zijn verrijzenis zichtbaar naar de hemel, dus naar boven, is
opgestegen. Toch rijst de vraag, of dit alles zo letterlijk moet worden
verstaan. Laten we eens van de veronderstelling uitgaan, dat Jezus van Nazareth
echt uit Zijn graf te voorschijn is gekomen zodat er een leeg graf achterbleef.
Voor welke problemen komt men dan te staan? Christus is door Pontius Pilatus
tot de kruisdood veroordeeld en deze kruisdood is in alle werkelijkheid en
gruwelijkheid aan Hem voltrokken. Aan het kruis genageld is Hij door
bloedverlies gestorven. Ten overvloede is Zijn hart met een lans doorstoken,
zodat tot de laatste druppel bloed uit Zijn lichaam is weggelekt. Deze
scheiding van lichaam en bloed als teken van Zijn sterven wordt in elke
Eucharistieviering herdacht. Bij het Laatste Avondmaal heeft Christus
uitdrukkelijk de opdracht gegeven: 'Doe dit tot Mijner gedachtenis'. Men heeft
dit bloedloze naakte lichaam van het kruis gehaald, het gebalsemd, in doeken
gewikkeld en in een lege grafruimte neergelegd. Dit is de feitelijke situatie
geweest. Als men dan veronderstelt, dat dit dode lichaam weer levend werd en in
staat was om uit het graf naar buiten te komen, dan moeten er zich nog al wat
wonderen aan Hem hebben voltrokken. Vooreerst moest er bloed in zijn lichaam
worden gebracht. Zijn wonden aan handen en voeten en vooral zijn doorboord hart
moesten zodanig worden genezen, dat hij als vóór Zijn dood kon lopen,
ademhalen, enzovoorts. De balsem moest worden verwijderd en de doeken, waarin
men hem had gewikkeld, vervangen worden door Zijn normale kleding. De steen,
die het graf afsloot, zal door iemand opzij moeten zijn gerold. Hij zal ook een
adres gehad moeten hebben, waar Hij regelmatig kon eten, drinken, slapen, zich
wassen en naar de wc gaan. Van dit adres wordt evenwel in de Evangelien niet
gesproken. Hij verschijnt aan de apostelen en aan vele anderen. Een keer zelfs
aan vijfhonderd gelijk. Merkwaardig is, dat Hij wel aan anderen verschijnt,
maar dat niemand bij Hem op bezoek gaat. Dat verschijnen aan de apostelen en
anderen geschiedt als regel heel ongewoon. Ze erkennen Hem niet onmiddellijk,
menen, dat ze met iemand anders te doen hebben, een tuinman bijvoorbeeld, de
Emmaüsgangers hadden helemaal niet in de gaten, dat Christus met hen
meewandelde. De wonden aan handen en voeten waren blijkbaar niet zichtbaar. Ze
erkennen Hem pas aan het breken van het brood. Als Hij werkelijk als vóór Zijn
dood in Jeruzalem heeft rondgewandeld, zou men dat wel aan Pilatus hebben
gemeld. Maar ook hierover is geen enkel gegeven te vinden. Het is ook
opvallend, dat steeds gesproken wordt niet gewoon van iemand ontmoeten, maar
van verschijnen. Er is gezien al deze overwegingen, alle reden, dat men bij het
verschijnen van de Verrezen Heer moet denken aan de wijze, waarop bij voorbeeld
Maria te Lourdes aan Bernadette is verschenen. De apostel Paulus schrijft (1
Kor. 15.5-8), dat Christus is verschenen 'aan Kefas en daarna aan de twaalf'
... 'Het laatst van allen, als aan een misgeboorte, is Hij ook verschenen aan
mij'. Deze verschijning aan Paulus staat beschreven in de Handelingen der
Apostelen (9.3-7). Maar daar is het uitgesloten, dat Hij in levende lijve als
vóór Zijn dood aan hem verscheen. Zijn metgezellen zagen dan ook niets. De
conclusie uit dit alles is dus: van een werkelijk uit Zijn graf opstaan en een
leeg graf achterlaten kan geen sprake zijn. Hoe moeten we de Verrijzenis van
Christus dan wel verstaan? Want aan dit geloofsgeheim valt niet te twijfelen.
De verrijzenis moet onmiddellijk na zijn dood zijn geschied. Zijn dood was het
moment van een nieuw leven bij de Hemelse Vader. Hij heeft dan geen aards,
stoffelijk lichaam, maar een geestelijk zoals de apostel Paulus heeft
opgemerkt. Het hiernamaals moeten we ons niet voorstellen als een
driedimensionale ruimte. God is het hiernamaals. En God bestaat niet op afstand
van ons, niet boven ons, zoals het primitief wordt voorgesteld. Van een echte
Hemelvaart, als een opstijgen van de aarde naar omhoog, kan geen sprake zijn.
Het moment van sterven was voor Christus, zoals dat ook voor ons zal gelden,
als we tenminste als met Christus verbonden zullen sterven, het moment van Zijn
verrijzen en van Zijn Hemelvaart. Deze drie aspecten worden in de liturgie op
drie verschillende dagen gevierd.
15 - DIE OPGESTEGEN IS TEN HEMEL
Hier keert dat verouderde Bijbelse wereldbeeld terug van een hemel als een
driedimensionale ruimte, waar God op een troon zetelt. En van opstijgen kan
geen sprake zijn, omdat Christus, zoals hiervoor uiteengezet is, niet uit zijn
graf is gestapt en nog een tijdje op aarde is blijven rondlopen. Opstijgen
betekent voortleven bij of in God.
16 - ZIT AAN DE RECHTERHAND VAN GOD, DE ALMACHTIGE VADER
'Zit aan de rechterhand'. Telkens keert [in] de wijze van vertellen van
geopenbaarde waarheden terug, alsof het in het hiernamaals [er aan] toegaat
zoals hier op aarde. We kunnen niet anders, omdat we geen andere woorden en
begrippen hebben dan die betrekking hebben op ons aardse leven. God 'zit' niet
en Hij heeft geen 'rechterhand'. Hier wordt ons voorgehouden, dat Jezus
Christus bij God is, en dit is een geloofsgeheim.
17 - VANDAAR ZAL HIJ KOMEN OORDELEN DE LEVENDEN EN DE DODEN.
Ook hier moeten weer vraagtekens worden geplaatst. Het staat toch zo
duidelijk in de Evangeliën zal men zeggen. Bij de evangelist Mattheus staat te
lezen: 'Wanneer de Mensenzoon (hiermee is Christus bedoeld) komt, bekleed met
Zijn Heerlijkheid en rondom Hem aIle engelen, dan zal Hij plaats nemen op de
troon van Zijn heerlijkheid. Alle volkeren zullen voor Hem bijeengebracht
worden, en Hij zal ze van elkaar scheiden, zoals de herder de schapen van de
bokken scheidt'. En bij Sint Paulus staat in zijn eerste brief aan de gelovigen
van Korinte: 'Wanneer de Heer Jezus zal verschijnen en met Zijn machtige
engelen uit de hemel zal neerdalen in een laaiend vuur'.
Hierbij moet men weer wel bedenken, dat het verhaIen zijn en geen verslagen
van waar geschiedde gebeurtenissen. De evangelisten beoefenden geen theologie
met onze streng wetenschappelijke terminologie, maar door middel van verhalen
en symbolen. De verrijzenis van elk mens geschiedt in aansluiting aan zijn
dood. Een algemeen oordeel is overbodig en onmogelijk. Tot de goede moordenaar,
die met Jezus gekruisigd werd, zei Hij 'Ik beloof je, vandaag nog zul je bij
Mij zijn in het paradijs'. Het 'komen oordelen' behoort niet tot de
geopenbaarde waarheden. En wat moet men dan denken van 'de levenden' bij dat
laatste oordeel? Men verwachtte blijkbaar een spoedige komst van Christus om te
oordelen. Hier moet iets worden toegevoegd, waaraan maar weinig aandacht wordt
geschonken. Christus is alleen verrezen en als verlosser opgetreden ter wille
van de op aarde levende mensen. Hij heeft als verlosser van de eeuwige dood
alleen te doen gehad met de op aarde levende mensen.
Jezus Christus was een echt mens zoals zijn tijdgenoten. Zijn kennis en
macht reikten niet verder dan die van Zijn tijdgenoten. Men denkt zo
gemakkelijk, dat de alwetendheid en de almacht van God, zomaar overvloeiden in
Christus als mens. Jezus heeft niet gedaan alsof Hij van niets wist toen Hij
als baby in de wieg lag. Hij heeft echt moeten leren, spreken en lopen zoals
alle kinderen. Hij moest zelfs nog ontdekken, dat Hij de Messias was. En het is
nog maar de vraag, of Hij nog tijdens Zijn aardse leven te weten is gekomen,
dat Hij God was of althans met God op bijzondere wijze verbonden. De astronomen
zoeken nog steeds naar tekenen van leven buiten de aarde, liefst naar wezens,
die evenals de mensen met verstand en vrije wil begiftigd zijn. Het is zo
moeilijk aan te nemen, dat in het onmetelijk heelal aanwezige evolutieproces
slechts op aarde heeft geleid tot met verstand en vrije wil begiftigde wezens.
Mochten er elders in het heelal een soort mensen worden ontdekt, Christus heeft
met hen niets te maken. Hij is hun verlosser niet, als zij ook in zonden
gevallen zijn. Christus heilswerk blijft beperkt tot de mensheid op aarde. Het
is niet juist Christus Koning van het heelal te noemen, wat in de liturgische
teksten en prediking toch zo gemakkelijk gebeurt. Maar hoe staat het met de
rechtvaardigen van vóór Christus' dood en verrijzenis? Ook voor hen geldt, dat
hun zielen niet los van het lichamelijke voortleefden. We moeten aannemen, dat
zij reeds aan de vrucht van Christus' dood en verrijzenis deelachtig waren. Het
verrijzen is alleen weggelegd voor Jezus en voor de rechtvaardigen. Voor de
anderen, voor de zondaars, betekent dood het einde van hun bestaan, zoals dat
ook voor dieren geldt. Dat is ook de straf voor hun zondig leven. Hel en ook
vagevuur zijn verouderde begrippen. Zieltjes uit het vagevuur verlossen door
aflaten te verdienen is een opvatting, die niet meer past in onze huidige kijk
op het hiernamaals.
18 - IK GELOQF IN DE HEILIGE GEEST
Het bestaan van een Heilige Geest als voortgekomen uit de Vader en de Zoon
is een echt geloofsgeheim, maar weer in menselijke termen verwoord. Er is in
God iets drievoudigs. We spreken van drie personen en aan elk van hen kennen we
een speciale functie toe; de Vader als schepper, de Zoon als Verlosser, de
Heilige Geest als heiligmaker. Het is een zwakke poging om het geloofsgeheim
iets toe te lichten. Men zou ook op de volgende manier het mysterie kunnen
benaderen. God kent zichzelf. Dat beeld van zich is de Zoon. Die twee beminnen
elkaar. Die onderlinge lief de is de Heilige Geest.
19 - DE HEILIGE KATHOLIEKE KERK
Hier moeten we een onderscheid maken tussen de kerk als instituut met een
leider, die tevens staatshoofd is, met een Romeinse curie vol kardinalen, met
nuntii en internuntii als ambassadeurs, met een kerkelijk wetboek, en daarnaast
de kerk als de gemeenschap van allen hier op aarde, die met Christus door
geloof en liefde verbonden zijn, ook wel het mystieke lichaam van Christus
genoemd, geleid door de opvolger van de Heilige Petrus, die bijgestaan wordt
door ware geloofsverkondigers en uitdelers van sacramenten. De kerk wordt
katholiek of algemeen genoemd, omdat zij allen omvat, die hier op aarde met
Christus verbonden zijn.
20 - DE GEMEENSCHAP VAN DE HEILIGEN
Hier zullen met de heiligen bedoeld zijn allen, die reeds het hemelgeluk
genieten, dus niet de christenen hier op aarde, want dat is al in het vorige
geloofsartikel gezegd.
21 - DE VERGEVING VAN DE ZONDEN, DE VERRlJZENIS VAN HET LICHAAM EN HET
EEUWIG LEVEN
Deze drie artikelen zijn echte geloofspunten waarvan we de waarheid niet
langs menselijke redeneringen kunnen achterhalen, maar slechts langs de weg van
de Goddelijke Openbaring. De vergeving van de zonden veronderstelt wel een
voorafgaand berouw. De uitdrukking 'de verrijzenis van het lichaam' is een
minder gelukkige verwoording van het geloofsgeheim. De mens bestaat, zoals
hiervoor reeds werd aangetoond, uit een onverbrekelijke eenheid van wat men
ziel en lichaam noemt, die ofwel tegelijk ophouden te bestaan, ofwel door de
dood heen een 'eeuwig leven' beginnen.
NAWOORD
Gezien bovenstaande aantekeningen bij de nog steeds gebruikelijke, maar
zeer verouderde Apostolische Geloofsbelijdenis, zou het van zeer groot algemeen
belang zijn, als een nieuw Oecumenisch Concilie tot de uitgave van een nieuwe
aan onze tijd aangepaste, officiele Geloofsbelijdenis zou besluiten.
Deze toelichting bij de Apostolische
Geloofsbelijdenis van
G. M. van de Velden o.praem
verscheen op 7 oktober 2001 - de dag
dat de auteur vijfenzeventig jaar norbertijn van de Abdij van Berne was.
[Voor een verwijzing naar een
samenvatting in het Engels zie hierboven]