G.M. van der Velden, Bestuurders en ambtenaren van Bokhoven in de 18e eeuw. MGT 1976, pag. 221-226

 

Het gaat in dit artikel niet om namen van personen, maar om de vraag, hoe een klein gebied als Bokhoven in de 18e eeuw werd bestuurd. Aan het hoofd van Bokhoven stond de graaf als een souvereine vorst. Hij was wel leenman van de Prins-bisschop van Luik. Maar dit hield niet veel meer in, dan dat de leenverheffing van elke nieuwe graaf te Luik moest worden geregistreerd, bij welke gelegenheid een leenhulde geschiedde. Dit laatste betekende dat de nieuwe Heer van Bokhoven voor zijn leenverheffing moest betalen.1) Maar dan was de graaf verder vrij man. Hij had ook een band met het Heilige Roomse Rijk, omdat hij zijn titel van graaf van keizer Ferdinand II gekregen had, bij welke gelegenheid de baronie tot een vrij rijksgraafschap was verheven.2) Dit kon op het diplomatieke vlak verplichtingen meebrengen. De graaf kon zich zo maar niet ongestraft aansluiten bij de tegenstanders van de keizer. En verder bracht dit mee, dat, in geval van hoger beroep bij processen die in Bokhoven waren aangespannen, men zich moest wenden tot Wetzlar in Duitsland, waar zlch vanaf 1693 het Reichskammergericht (het hoger gerechtshof) bevond. Die verplichting bestond overigens reeds eerder toen Bokhoven nog geen rijksgraafschap was, omdat ook het Prins-bisdom Luik als geheel leenroerig was tegenover het Heilige Roomse Rijk. Ook vanuit Luik ging men naar Spiers (Speyer) en vanaf 1693 naar Wetzlar in hoger beroep.3) De graven van Bokhoven uit de 18e eeuw hadden meer titels dan enkel die van Graaf van Bokhoven, en zij hadden meer aan hun hoofd dan zich uitsluitend bezig houden met de problemen die zich in Bokhoven voordeden. In de brief, waarin de graaf op 6 januari 1776 Joseph Jacques Duwooz aanstelt tot drossaard van Bokhoven, stelt hij zich aan de lezers aldus voor: "Nous, Anne Louis Alexandre de Montmorency, Prince de Robecq, Grand d'Espagne de la première classe, premier Baron chrétien de France, Comte d'Estaires, Marquis de Morbecq, Comte de Bouchoven et du St. Empire Romain, Baron de Haweskerque, Vicomte de la ville d' Aire, Baron de Laforet sur Sayvre, Marquis de Villarnoult, Seigneur de Rouvray, Bussière, Ausson, St. Branche, Seigneur châtelain de Benaist, du pont d'Estaires, Zutberquin, grand et petit Robermets, des Forestiaux Bowe, Blessy, Blessel, St. Martin, St. Quentin, Montcornet et autres lieux, haut justicier des noble cour, ville et châtellenie de Cassel en Flandres, lieutenant général des armées du roi, gouverneur de vilJe, chateau fort St. François d'Aire en Artois, etc."4) Deze Anne Louis Alexandre de Montmorency, die gedurende heel de tweede helft van de 18e eeuw graaf was, liet noodgedwongen heel veel zaken over aan zijn intendant-generaal. Wij kennen enige namen van deze intendanten, die zich ook met Bokhoven hebben bezig gehouden. Vooreerst abbé Lebrun waarvan een brief bewaard bleef in het parochiearchief en die gericht is aan de drossaard en schepenen van Bokhoven. Hij

 

1) Bormans, Stanislas, Les Seigneuries féodales du pays de Liege, table des reliefs, Liege, 1871.

2) Hammen, J. van der, Inventaris Loon op Zand, in Taxandria, jrg. 21 (1914), bldz. 200.

3) Jadin, Louis, Relations des Pays-Bas, de Liège et de Franche-Comté avec le Saint-Siège, 1525-1796, Bruxelles 1962.

4) P.A.B. (= Parochiearchief van Bokhoven), inv. nr. 528.

 

221

 

verzoekt daarin beslag te leggen op de goederen van Arnold Verheijen, gewezen drossaard, secretaris en rentmeester, om hierop de schade te verhalen, veroorzaakt door het feit dat hij zijn administratieve papieren niet wil afgeven.5) Abbé Lebrun is bij een andere gelegenheid persoonlijk naar Bokhoven gekomen, opdat de nieuwe drossaard Albert Duwooz in zijn handen de vereiste eed zou kunnen afleggen in tegenwoordigheid van het voltallige college van schepenen. Dit geschiedde op 7 december 1753. Vervolgens was A. F. Stallaert intendant van de graaf. Zijn naam komt herhaaldelijk voor in het proces tussen de Graaf van Bokhoven en de Abt van de abdij van Berne inzake de patronaatsrechten van de kerk van Bokhoven.6) In een akte van benoeming van enige schepenen, die gedateerd is op 8 mei 1745, wordt een zekere heer A. T. Dolira, burgemeester en schepen van de stad Aken, genoemd als gevolmachtigde van een eerdere graaf, prins Louis de Salm.7) Maar ook deze intendanten en gevolmachtigden konden zich niet dag in dag uit met de gewone gang van zaken in het graafschap Bokhoven bezig houden. Dit liet de graaf over aan een drossaard, die als regel tevens zijn rentmeester en daarbij ook nog dijkgraaf en secretaris was. Zo'n drossaard moest zijn baantje duur betalen, maar genoot dan alle inkomsten die aan zijn ambt verbonden waren. Roelandus van Breugel, die drossaard was van 1682 tot 1706, had voor het verkrijgen van zijn benoeming op 31 augustus 4300 gulden contant moeten betalen aan mevr. de gravinne op het kasteel te Loon op Zand.8) Bij zijn ambtsaanvaarding moest hij de eed afleggen in handen van de graaf of diens gevolmachtigde, zoals hierboven reeds bleek in het geval van Albert Duwooz. Omdat ook de drossaard niet steeds ter plaatse aanwezig kon zijn, werd in bepaalde gevallen een drossaard substituut aangewezen. Zo werd 19 maart 1770 Jacobus Duwooz tot substituut drossaard, dijkgraaf en rentmeester beëdigd. Op 22 januari 1776 stelde de drossaard Joseph Jacques Duwooz, die tevens secretaris was, Pieter Franciscus Duwooz als substituut secretaris aan, na daartoe kort tevoren op 6 januari door de graaf gemachtigd te zijn.9) Naast de drossaard namen aan het bestuur van het graafschap zeer actief deel de schepenen, die ook als rechtbank optraden zowel in civiele als criminele zaken. Reeds in1460 was hun aantal op zeven gesteld.10) Ze werden door de graaf of minstens in opdracht van de graaf benoemd en legden de vereiste eed af in handen van de drossaard. Twee eedformules die in de achttiende eeuw werden gebruikt zijn bewaard gebleven, een die in het begin van die eeuw in gebruik was en een van 19september 1753.11) Alle beëdigingen (en die kwamen vaak voor) hadden plaats in tegenwoordigheid van schepenen en in sommige gevallen in handen van de oudste schepen. De taken van de schepenen bestonden vooreerst in het uitoefenen van de rechtspraak in civiele en criminele zaken onder leiding van de drossaard,12)

 

5) P.A.B., inv. nr. 529.

6) P.A.B., inv. nr. 14, en Abdijarchief Heeswijk, nr. VII A.

7) P.A.B., inv. nr. 528.

8) P.A.B., inv. nr. 232, fol. 101 v.

9) P.A.B., inv. nr. 528.

10) P.A.B., inv. nr. 519.

11) P.A.B., inv. nr. 528.

12) Rijksarchief Den Bosch, inv. nr. IV-E, bldz. 103. Oud-rechterlijk archief Bokhoven.

 

224

 

vervolgens in het treffen van politieverordeningen; verder in het authentiseren van allerlei stukken; in het getuige zijn bij de beëdiging van schepenen, burgemeesters, heemraden, kerk- en armmeesters, voogden over onmondige kinderen, vorsters, turftonders, hooiwegers en nachtwachten; in het beheren van de bezittingen en inkomsten van de gemeente; enz.13) Naast de zeven schepenen waren er steeds twee burgemeesters, die men het best zou kunnen vergelijken met onze tegenwoordige gemeenteontvangers. Omdat het aantal geschikte personen voor deze functies erg beperkt was, waren dezelfde personen dikwijls voor twee jaar burgemeester, dan weer voor vele jaren schepen. Onder de overige beëdigde ambtenaren behoorde ook de vorster die tevens gerechtsbode was. Hij trad op als veldwachter en voerde de boodschappen uit die drossaard en schepenen hem oplegden. Als iemand officieel opgeroepen werd om voor drossaard of schepenen te verschijnen, dan geschiedde dat mondeling door de gerechtsbode. Omdat Bokhoven aan de Maas is gelegen, wat 'n voortdurende verzorging van de oever en vooral van de kribben meebrengt, en het verdere territorium 'n poldergebied is met waterlopen en sluizen, trad de drossaard ook als dijkgraaf op. In deze taak werd hij bijgestaan door heemraden. Officieel mochten er 7 gekozen en beëdigd worden, maar in feite waren er steeds slechts 4. In het parochiearchief worden heel wat stukken bewaard, die uit het polderarchief afkomstig zijn.14) Daarmee is het aantal beëdigde personen, die in de gemeente een funktie hadden, nog niet uitgeput. Daar was vooreerst een turftonder. Hij moest de turf die verkocht werd in tonnen tassen, een werk waarmee gemakkelijk kon worden gesmokkeld. Meestal was dit het werk van vrouwen, de turftondsters. De turftonders bleven lang in funktie. Adriaen van den Oever werd in 1750 als tonder beëdigd. Zijn opvolger Frederik van den Oever trad pas in 1781 in funktie. Het beroep bleef in dezelfde familie, want in 1786 werd Frederik opgevolgd door Willem van den Oever. Dan was er nog iemand, die voor het uitoefenen van zijn werk onder ede stond, namelijk de hooiweger. In navolging van de naburige plaatsen werd door drossaard en schepenen op 6 november 1741 besloten ook voor Bokhoven een beëdigde hooiweger aan te stellen. Voortaan mocht geen hooi meer verkocht of geleverd worden dan nadat dit door de gezworen hooiweger was gewogen. Voor dit wegen moest weegloon worden betaald. Wie zijn hooi niet liet wegen werd beboet. De helft van de boete kwam de drossaard ten

goede, de andere helft was voor het armbestuur. Als eerste hooiweger werd beëdigd Eymert de Groot. Ook de drie genoemde turftonders waren tevens hooiwegers. Tenslotte kende Bokhoven nog nachtwakers. Op 25 juni 1714 namen drossaard en schepenen de resolutie voortaan iedere nacht te laten waken tot grotere veiligheid van de inwoners van het vrije graafschap. Zes weerbare mannen zouden dit werk bij toerbeurt vervullen van 's avonds tien uur te beginnen bij de kerk. Zij moesten door heel het graafschap blijven patrouilleren tot drie uur in de morgen. Telkens als een volgende nachtwaker aan de beurt was, werd het hem tevoren door de gerechtsbode aangezegd. Mocht hij toch in gebreke blijven, dan kwam hem dit op 'n boete van 3 gulden te staan. Later spreekt men van nachtroepers die beëdigd waren. Zo werd op 21 december 1771 Willem Creemers tot nachtroeper of nachtwacht

 

13) P.A.B., inv. nr. 528.

14) P.A.B., inv. nr. 522-541.

 

225

 

aangesteld.15) Behalve deze uitgesproken burgelijke funktionarissen waren er nog die op het grensgebied van de kerkelijke en de burgelijke bevoegdheden werkzaam waren. Zo eiste de drossaard, dat de kerk- en armmeesters in zijn handen de eed van trouwe plichtsbetrachting aflegden. Ook bemoeide hij zich graag met de benoeming van de koster-schoolmeester, wat aanleiding was tot vele botsingen tussen de kerkelijke en burgerlijke gezagsdragers. Maar dat is een geschiedenis op zich.

 

G. M. van der Velden, pastor emeritus van Bokhoven.

 

15) P.A.B., inv. nr. 528