De H. Cornelius van Bokhoven
G M van der Velden, pastor
em. van Bokhoven, MGT 1980
|
Heiligenverering,
relikwieëncultus en op bedevaart gaan. |
|
|
Er is een tijd geweest dat men een geweldige
waarde hechtte aan het bezit van relikwieën van heiligen. Het bezit van het
gebeente of van een deel van het gebeente van een heilige betekende dat men op de
bescherming en de voorspraak bij God van die heilige kon rekenen. Als men een
kerk wilde bouwen was het bezit van relieken een eerste vereiste. Daar had
men alles voor over. Men vertelt dat er eertijds
in Calabrië in Zuid-Italië
een heilige kluizenaar, Romualdus geheten, woonde. De bewoners van die streek verheugden er zich reeds over dat ze straks na zijn dood over zijn stoffelijk
overschot zouden kunnen beschikken als een kostbare relikwie. Toen ze hoorden dat de
kluizenaar van woonplaats wilde veranderen waren ze ten einde raad. Ze besloten
hem dood te slaan om zo voor zich het bezit van diens gebeente veilig te stellen. Door een gedeelte van het aardse
lichaam te bezitten waarin de heilige vroeger had geleefd trok men zijn
aandacht op het gebouw en de personen die er in leefden, werkten of kwamen
bidden. Ook wij zijn in onze tijd daar nog gevoelig voor. Ook wij zijn gehecht
aan voorwerpen die aan een
beminde persoon hebben toebehoord |
en die als souvenirs met zorg en liefde worden
bewaard. We bezoeken nog graag de graven van gestorven familieleden en van
vereerde en bewonderde figuren zelfs uit een ver verleden. Mensen
die veel over Napoleon hebben gelezen willen per se, als ze in Parijs zijn, het graf van hem
bezoeken. Vanuit Amerika komt men over om rond te dwalen op de vele
oorlogskerkhoven en stil te staan bij het graf van een familielid of een
bevriende relatie. Wie
een groot vertrouwen heeft in de voorspraak van de kleine Theresia
van Lisieux of van de heilige pastoor van Ars zal
niet nalaten, als de gelegenheid zich voordoet, een bezoek aan deze
pelgrimsoorden te
brengen. Zo is men er ook in het verleden toe gekomen op reis te gaan met de
uitgesproken bedoeling het graf van zijn lievelingsheilige te bezoeken.
Vaak is men er al tevreden mee, dat althans een klein partikel uit het
gebeente van de geliefde heilige aanwezig is. Dit heeft er toe geleid dat de
relikwieën van bepaalde heiligen in steeds kleinere stukjes zijn verdeeld en 100 |
|
een
merkwaardige verspreiding over de aarde hebben gekregen. Heiligenverering
veronderstelt dat men iets
van het leven van de heiligen weet. Vanaf de oudste tijden heeft men de lotgevallen
van belangrijke personen, die geschiedenis hebben gemaakt, opgetekend.
Iedereen vindt dat vanzelfsprekend. Maar dan is het begrijpelijk dat men ook
levensbeschrijvingen heeft gemaakt van personen die om hun uitzonderlijke
heiligheid de aandacht hebben getrokken. Die heiligenlevens vormen
een apart literair genre omdat ze een geheel eigen en dikwijls meervoudige bedoeling
hebben. Ze geven niet alleen informatie over het leven van de heilige,
maar willen tevens liefde tot en vertrouwen in
de heilige wekken en een aansporing zijn tot de |
navolging
van zijn deugden. Gebeurtenissen
na de dood van de heilige, die men als gebedsverhoringen beschouwde, werden
dikwijls aan de heiligenlevens toegevoegd of groeiden uit tot een apart soort
literatuur: de mirakelboeken. Zoals
de zucht om de grootheid en de heldenmoed van figuren uit de profane geschiedenis
duidelijk te laten uitkomen er toe geleid heeft de historische juistheid
geweld aan te doen, zo heeft de ijver van de auteurs van heiligenlevens hen
er toe gebracht hun fantasie een grote rol te laten spelen of elementen van
andere heiligenlevens over te nemen.
Vooral als men van een heilige, die toch een grote reputatie genoot, niet veel
wist, zag men zich genoopt om op 101 |
|
een
vaststaand schema terug te vallen, waarvan bij historisch onderzoek niet veel
waardevols overblijft. Legenden zijn er evenzeer rond personen uit de profane
geschiedenis ontstaan als rond die uit de kerkelijke geschiedenis. Er
bestaat een grote verscheidenheid onder allen die Christus trachten na te volgen.
Ook onder hen die Hem op heldhaftige wijze hebben nagevolgd, en die bij
de roep van het Godsvolk of dooreen uitdrukkelijke heiligverklaring op de canon
of lijst van de heiligen zijn geplaatst. Vanaf
249 was Decius Romeins keizer. Hij was, zoals
gebruikelijk, een keizergeneraal, waarvan we ons
tegenwoordig een goed beeld kunnen vormen nu in zoveel landen een militair
regime de leiding in handen heeft. Decius zette zich
energiek in voor de innerlijke vernieuwing en versterking van het Romeinse rijk. Hij zag in de
traditionele staatsgodsdienst een machtig middel om de eenheid te bevorderen
en daardoor de kracht van het imperium te herstellen. Het christendom dat
zich in de
voorafgaande rustige jaren had ontwikkeld tot een straf georganiseerde macht
werd door Decius gezien als een storend element dat
van binnenuit zijn rijk
aantastte en dus uit de weg moest worden
geruimd. Cyprianus weet te melden dat de keizer de
keuze van een nieuwe paus meer vreesde dan de verheffing van een tegenkeizer. Reeds in 249 kwam
hij met een nauwkeurig uitgewerkt plan voor de dag om het christendom aan te
pakken en zo volledig
mogelijk te vernietigen. In een keizerlijk edikt
eiste Decius dat alle onderdanen openlijk aan de
Romeinse goden zouden offeren door enkele wierookkorrels
op het offeraltaar te strooien. Speciale ambtenaren moesten voor de
uitvoering van het keizerlijk bevel zorgen, ieder
die aan de oproep |
voldaan
had werd ingeschreven in registers en kreeg een briefje (libellus genaamd)
als bewijs mee naar huis. Wie zo'n briefje niet had
ondervond moeilijkheden om voor een betrekking of bijstand in aanmerking te
komen. De
controlerende ambtenaren kregen de opdracht speciale aandacht te schenken aan
de christenen en na te gaan of ze aan de oproep gehoor gaven. Om
het hen niet te moeilijk te maken waren ze er al tevreden mee dat ze het briefje
kwamen ophalen, waardoor ze uitdrukkelijk hun christelijk geloof verzaakten, ook
al hadden ze geen wierookkorrels op
het offervuur geworpen. Opgeroepenen die niet
aan de eis wilden voldoen werden bestraft met gevangenis en folteringen, soms
met terechtstelling. Op deze beproevingen waren de meeste christenen niet
voorbereid, met het gevolg dat zeer velen van hun geloof afvielen. Onder hen
kwamen zelfs bisschoppen en andere geestelijken voor. Hoe
staat het nu op al deze punten met betrekking tot de H. Cornelius?
We kunnen beginnen met de geruststellende mededeling dat Cornelius
geen twijfelgeval
is, maar een mens, een bisschop die echt in de eerste helft van de derde eeuw
in Rome en omgeving heeft geleefd. Hij staat in de lijst van de pausen die
toen de kerk van Rome hebben geleid: Calixtus
(218-223), Urbanus (223-230), Pontianus
(230-235), Anteros (235-236), Fabianus
(236-250), Cornelius (251-253) en Lucius (253-254). Bovendien beschikken we over zoveel
historische gegevens dat Cornelius niet als een
vage en schimmige figuur voor ons komt te staan,
maar als een duidelijk en scherp omlijnde persoonlijkheid. We
beschikken zelfs over brieven die hij geschreven heeft en waarvan de
betekenis verder reikt dan 102 |
|
de
persoon van Cornelius alleen. Wel beslaat de
periode waarover de informatie met betrekking tot Comelius
zich uitstrekt slechts enkele jaren. Maar wat we over die periode weten is
voldoende om een
goed beeld van Cornelius als mens en als bisschop
van Rome te krijgen. En verder is het historische kader zowel op wereldlijk
als op kerkelijk gebied met grote nauwkeurigheid bekend. Cornelius
is echt geen legendarische figuur. Wanneer
men de prachtige „Atlas van de oudchristelijke wereld" van F. van der Meer
en Christine Mohrman
opslaat bij de kaarten 3 en 4 dan komt men tot de verrassende ontdekking dat
in de dagen van Cornelius het Midden-Oosten,
Italië, Noord-Afrika rond Carthago en Zuid-Spanje bezaaid
waren met bisdommen. |
Op
het landelijk Romeins concilie van 251, door Cornelius
samengeroepen, verschenen maar liefst zestig bisschoppen uit bisdommen die
rond de stad
Rome in een wijde kring gegroepeerd lagen. Bisschop Cornelius
was de patriarch van die kerkprovincie. Ongeveer in diezelfde tijd, in het jaar
256, verzamelden zich negentig bisschoppen uit de omgeving van Carthago rond bisschop Cyprianus,
de verdediger en vriend van paus Cornelius. Cornelius was een echte Romein, verwant
aan de meest vooraanstaande families van Rome. Als een der eersten schreef
hij zijn brieven in het Latijn. Het Grieks
werd meer en meer door het Latijn vervangen, al schijnt de Griekse taal nog
enige tijd als de officiële in de liturgie te zijn gehandhaafd. 103 |
|
Vanaf
249 was Decius Romeins keizer. Hij was, zoals
gebruikelijk, een keizergeneraal, waarvan we ons
tegenwoordig een goed beeld kunnen vormen nu in zoveel landen een militair
regime de leiding in handen heeft. Decius zette zich
energiek in voor de innerlijke vernieuwing en versterking van het Romeinse rijk. Hij zag in de
traditionele staatsgodsdienst
een machtig middel om de eenheid te bevorderen en daardoor de kracht van het
imperium te herstellen. Het christendom dat zich in de
voorafgaande rustige jaren had ontwikkeld tot een straf georganiseerde macht
werd door Decius gezien als een storend element dat
van binnenuit zijn rijk
aantastte en dus uit de weg moest worden geruimd. Cyprianus
weet te melden dat de keizer de keuze van een nieuwe paus meer vreesde dan de verheffing
van een tegenkeizer. Reeds
in 249 kwam hij met een nauwkeurig uitgewerkt plan voor de dag om het christendom
aan te pakken en zo volledig mogelijk te vernietigen. In een keizerlijk edikt eiste Decius dat alle onderdanen
openlijk aan de Romeinse goden zouden offeren door enkele wierookkorrels
op het offeraltaar te strooien. Speciale ambtenaren moesten voor de
uitvoering van het keizerlijk bevel zorgen, ieder
die aan de oproep voldaan had werd ingeschreven in registers
en kreeg een briefje (libellus genaamd) als bewijs mee naar huis. Wie zo'n briefje niet had ondervond moeilijkheden om voor een
betrekking of bijstand
in aanmerking te komen. De controlerende ambtenaren kregen de opdracht
speciale aandacht te schenken aan de christenen en na te gaan of ze
aan de oproep gehoor gaven. |
Om
het hen niet te moeilijk te maken waren ze er al tevreden mee dat ze het briefje
kwamen ophalen, waardoor ze uitdrukkelijk hun christelijk geloof verzaakten, ook
al hadden ze geen wierookkorrels op
het offervuur geworpen. Opgeroepenen die niet
aan de eis wilden voldoen werden bestraft met gevangenis en folteringen, soms
met terechtstelling. Op deze beproevingern waren de
meeste christenen niet voorbereid, met het gevolg dat zeer velen van hun
geloof afvielen. Onder hen kwamen zelfs bisschoppen en andere geestelijken
voor. Zij golden als afvalligen (lapsi in het
Latijn). Velen wisten de moeilijke beslissing te ontlopen door de vlucht te
nemen, onder te duiken zouden
wij tegenwoordig zeggen. Anderen beleden moedig en openlijk hun geloof en
weigerden een „libellus" te aanvaarden. Zij kregen de naam en de faam
van belijders (confessores), die vaak folteringen
hadden aanvaard en bij de christenen in hoog aanzien bleven staan. Zij die op
grond van hun weigering om te offeren aan de afgoden de dood vonden werden
als martelaren voortaan in ere gehouden. Onder de martelaren uit de tijd van
keizer Decius neemt de toenmalige paus Fabius een ereplaats
in. Hij stierf de marteldood op 20
januari 250. Daardoor
kwam Rome zonder bisschop en de universele kerk, die als zodanig in die tijd
veel minder als nu naar voren trad, zonder paus. En de tijdsomstandigheden waren
er niet naar om aan de keuze
van een nieuwe bisschop voor Rome te denken. Gelukkig waren er in die dagen
bekwame priesters in het centrum van de christenheid die voorlopig de leiding
in handen konden 116 |
|
nemen.
Onder hen nam een zekere Novatianus een bijzondere
plaats in. Intussen
werd de kerkvervolger, keizer Decius, genoodzaakt aan het hoofd van een legermacht een inval van
de Goten langs de westkant van de Zwarte Zee af te weren. Daar sneuvelde hij
in de maand juni van het jaar 251 in de buurt van Abrittus. Zodra
men in Rome vernomen had dat Decius naar het verre
front in het oosten van het rijk zou vertrekken kregen de christenen weer
moed. Ze kwamen bijeen voor de keuze van een nieuwe bisschop
waaraan geestelijken en leken deelnamen. Niet Novatianus,
maar de vrome Cornelius werd door de meerderheid op
de bisschoppelijke stoel van Rome verheven. Haar voorkeur ging uit naar deze
deugdzame en vreedzame priester. Hij ontving zijn bisschopswijding uit handen
van zestien bisschoppen. Dat
was voor Novatianus een moeilijk te verwerken
tegenvaller. Hij kon er zich niet bij neerleggen, temeer niet omdat hij het
met de vredelievende houding
van Cornelius tegenover hen die zich tijdens de
kerkvervolging zwak getoond hadden niet eens was. Hij liet zich door een
minderheid die zijn kant koos tot tegenbisschop en
daarmee tot tegenpaus
kiezen. Drie door hem naar Rome ontboden bisschoppen, die zijn opvattingen
deelden, waren bereid hem de bisschopswijding toe te dienen. Onmiddellijk
begon hij brieven te schrijven naar de verderaf gelegen kerken om ze op zijn
hand te krijgen. Maar het goed recht was te
duidelijk aan de kant
van Cornelius. Hij werd door de overgrote meerderheid
van de kerken als de ware bisschop van Rome erkend. De
zo hoog in aanzien staande bisschop van Carthago, Cyprianus, koos heel uitdrukkelijk de zijde van Cornelius. Het optreden van Novatianus
|
was
niet enkel een kwestie van rivaliteit. Men zat met de vraag hoe te handelen
met de vele afvalligen die na de dood van Decius in
de schoot van de kerk wilden terugkeren. Het probleem had zich al eerder
voorgedaan in de dagen van de pausen Zepherinus en Calixtus. Ook toen waren er twee richtingen. Die van de onverzoenlijken zeiden: eens afgevallen, voor altijd
afgevallen. De anderen waren genegen de zogenaamde „lapsi"
na voldoende tekenen van bekering weer in de kring van de gelovigen op te
nemen. Zoals wij progressieven en conservatieven
kennen binnen Gods kerk, zo heeft men alle eeuwen door tegengestelde
groeperingen gekend. Novatianus stond in de kwestie
van de „lapsi" - en hij stond heus niet alleen
- aan de kant van de rigoristen, de strengen, Cornelius behoorde tot
de gematigden, de verzoeningsgezinden. Bisschop
Cornelius riep zo spoedig mogelijk een concilie
bijeen om een einde te maken aan het schisma. De beschuldiging van Novatianus en zijn volgelingen
als zou Cornelius gemene zaak maken met de „lapsi" werd als niet gerechtvaardigd afgewezen. Wel
was het waar dat hij een milde houding aannam tegenover de afvalligen, niet alleen
op hun sterfbed, maar ook reeds eerder als ze
tekenen van oprecht berouw hadden getoond en de vereiste boete hadden gedaan.
Novatianus werd op
het concilie veroordeeld. In
de door Eusebius van Caesarea
(265-c. 340) geschreven „Kerkgeschiedenis" is
een gedeelte van een brief van Cornelius bewaard
gebleven, die hij gezonden
had aan bisschop Fabius van Antiochië.
Daaruit blijkt dat er in de dagen van Cornelius 46
priesters, 7 diakens, 7 subdiakens, 42 acolythen,
56 exorcisten,
lectoren en ostiarii (deurwachters) waren.
Reeds toen waren dus alle rangen van de clerus vertegen- 118 |
|
woordigd (enkele van deze rangen of
wijdingen zijn sinds het Tweede Vaticaans Concilie afgeschaft) en het is duidelijk
dat de priesters hun werk niet alleen hoefden te doen. Zij mochten hulp en
steun ondervinden van velen uit de gelovige gemeenschap. De
rustpauze na de kerkvervolging van Decius is niet
van lange duur geweest. De nieuwe keizer, Gallus, hernam de vervolging van de
christenen, maar paste een andere tactiek toe. Hij begon, volgens een
mededeling van Cyprianus, met een enkele
vooraanstaande persoon aan te vallen om het doel gemakkelijker te bereiken. En
zo werd Cornelius als eerste aangepakt. Hij werd als
staatsgevaarlijk persoon veroordeeld tot ballingschap en werd uitgewezen naar
de belangrijke toevoerhaven van Rome, Centumcellae
geheten, het tegenwoordige Civitavecchia. |
Daar
had keizer Trajanus in zijn tijd een buitenverblijf
laten bouwen. De
christenen van Rome lieten hun geliefde bisschop niet alleen vertrekken. Priesters
en diakens gingen mee en onder hen bevond zich Lucius,
de toekomstige
opvolger van Cornelius. Vanuit deze havenplaats
zette Cornelius zijn correspondentie met Cyprianus van Carthago voort. Al
genoot hij dan deze vrijheid, het verblijf te Centumcellae
was toch zo hard en zo vol ontberingen, dat zijn
gezondheid het niet lang verdroeg. In de maand juni van het jaar 253 stierf
hij reeds. Ofschoon nergens blijkt
dat hij de marteldood in de gewone zin van het woord heeft ondergaan, is hij wel
het slachtoffer geworden van de kerkvervolging en heeft men hem de eretitel
van martelaar geschonken. 119 |
|
De overbrenging van zijn stoffelijk overschot naar
Rome en de verdere lotgevallen van zijn relieken Het
is begrijpelijk dat de kerk van Rome Cornelius niet
op de afgelegen begraafplaats in Centumcellae liet
liggen. Men wenste deze heilige bisschop dicht bij zich te hebben en zijn
stoffelijk overschot bij
te zetten in de reeds bestaande catacombe van Calixtus, op een mijl afstand van Rome gelegen langs de prachtige
Via Appia, de weg die van Rome naar Ostia leidt. Deze
catacombe was de vaste begraafplaats voor de bisschoppen van Rome. Een vrome
vooraanstaande dame, Lucina geheten, die vlak bij
de catacombe van
Calixtus, een eigen ondergrondse grafkelder bezat,
heeft voor de overbrenging van het lichaam zorg gedragen en dit, tegen de
gewoonte in, bijgezet in haar privécrypte. Deze was
tevoren voor deze gelegenheid aanzienlijk uitgebreid. Later heeft men door een
onderaardse gang deze crypte met het gangenstelsel van de catacombe van Calixtus verbonden. Er is alle reden te vermoeden dat Cornelius door banden van verwantschap of anderszins met Lucina en haar
familie was verbonden. Het
jaar waarin deze translatie of overbrenging van Centumcellae
naar Rome heeft plaats gehad is niet bekend. Wel zijn de maand en de dag van
die maand bekend, namelijk 14 september. Het
is een merkwaardige coïncidentie, dat
de vriend van Cornelius, Cyprianus
van Carthago, op de 14e
september van het jaar 258 de marteldood onderging. Dit heeft ertoe geleid,
dat de twee bisschoppen in de Romeinse kerk op dezelfde dag worden gevierd en
dat hun namen eeuwenlang samen in de canon van de Mis werden genoemd. Omdat men
op 14 september de Verheffing van het
H. Kruis is gaan vieren en 15 september voor Onze Lieve Vrouw van |
Zeven
Smarten werd gereserveerd is het feest van Cornelius
en Cyprianus naar 16 september verschoven. Cornelius was een echte Romein, wat o.a.
tot uitdrukking komt door het feit dat men zijn grafopschrift niet in het Grieks,
zoals bij de voorafgaande pausen gebruikelijk was, maar in het Latijn
heeft gebeiteld in de plaat waarmee de ruimte, waarin het stoffelijk
overschot was geplaatst, werd afgesloten. De
tekst is uiterst sober: CORNELIUS MARTYR, waaronder de letters EP, afkorting van episcopus wat bisschop betekent. We
zeggen dikwijls dat we iemand naar zijn laatste rustplaats hebben gebracht. Die
rust hebben de stoffelijke overblijfselen van de meeste heiligen en speciaal
van de martelaren niet mogen ondervinden. Dit geldt ook voor het gebeente van
de H. Cornelius. Paus Leo I (440-461) heeft een
kerk langs de Via Appia laten bouwen, 'waarin de relikwieën
van Cornelius zijn ondergebracht ter
openbare verering. De onderaardse crypte bood hiervoor te weinig gelegenheid.
Zo'n 300 jaar later, en
dan zijn we dus in de achtste eeuw, ten tijde van paus Adrianus
I (772-795) liet Karel de Grote een nieuwe kerk ter
ere van de H. Cornelius bouwen. Met grote toeloop
van geestelijken en leken en met veel luister werden de relieken van Cornelius en nog andere heiligen hierheen overgebracht. Vanaf
875 begint de verspreiding van de relikwieën van de H. Cornelius
over de toenmalige christelijke wereld. Steeds meer kerken en kloosters nemen
Cornelius als patroonheilige. Er bestaat een aparte
tak van wetenschap „Patrozinienforschung" genaamd,
die zich met deze verspreidingen bezighoudt. Op dit terrein van onderzoek in
dienst van
de geschiedschrijving moet er nog 120 |
|
veel
geschieden. Voor wat de verspreiding van de verering van Sint Comelius betreft kunnen alleen de grote lijnen worden
gegeven. Karel de Kale, de zoon van Lodewijk de Vrome en de kleinzoon van Karel
de Grote, verwierf, toen het geslacht van Lotharius
uitstierf, de keizerstitel. Hij trok daarom naar Rome om daar de keizerskroon
uit handen van paus Joannes VIII
te ontvangen. Dit gebeurde in het genoemde jaar 875. Toen hij het jaar daarop
naar zijn gebied, het tegenwoordige |
Frankrijk,
terugkeerde, voerde hij een kostbare schat mee, de relikwieën " van Comelius, paus en martelaar. Hij schonk ze aan de kerk in
Compiègne, die in' opdracht van hem was gebouwd. Compiègne werd aldus de eerste bedevaartplaats buiten
Rome ter ere van Comelius. Volgens de verhalen is
de overbrenging van Rome naar Compiègne een ware
triomftocht geworden, die gepaard ging met vele wonderen. 121 |
|
Een
belangrijk gedeelte van 't gebeente van de H. Cornelius (de schedel en de rechterarm) is terecht
gekomen in een benediktijner abdij niet ver van
Aken, waarmee de aanroeping van Cornelius tegen
vallende ziekte in het Rijnland een aanvang nam. Deze abdij was gelegen aan
het beekje de Inde, en werd daarnaar genoemd. |
Later
kreeg het klooster en ook de plaats waar deze abdij lag de naam Kornelimünster (Cornehus-klooster).
Wanneer en door wie de relikwieën daarheen gebracht zijn is niet met
zekerheid bekend. Volgens de traditie zou dit in 880 wederom door Karel de Kale zijn geschied. Wanneer 136 |
|
men
een bezoek brengt aan Kornelimünster valt een groot
verguld beeld van
de bedevaartheilige op de top van de kerktoren onmiddellijk op. Ook in de Sint
Severinuskerk in Keulen zijn relikwieën van Cornelius en Cyprianus terecht
gekomen. Daar zijn ze geborgen in een schitterende en kostbare
hoorn. De
hoorn, een zinspeling op de naam Cornelius, is in
de voorstellingen van deze heilige een gebruikelijk symbool gebleven. Vele
eeuwen lang is vooral Kornelimünster een druk
bezocht pelgrimsoord geweest. Aangemoedigd door de geestelijke gunsten, die
enige pausen aan het pelgrimeren naar deze plaats verbonden, trok men er
jaarlijks van alle kanten heen om er de H. Cornelius
aan te roepen. |
Cyprianus kreeg veel minder aandacht.
Velen die aan epilepsie of vallende ziekte leden verkregen van God
verhoring op voorspraak van de aangeroepen heilige. Het
derde land waarheen relikwieën van Cornelius
verhuisden is het tegenwoordige België. Vooreerst treft men relikwieën van
deze paus aan in Ronse, ruim
40 km. ten zuiden van Gent ten oosten van de Schelde gelegen. De relikwieën in
deze plaats zijn afkomstig uit Kornelimünster. Het
is niet duidelijk wanneer
en door wie ze zijn overgebracht, maar het feit dat de abt van de abdij van Kornelimünster tot 1280 de tijdelijke heer van het gebied
van Ronse 137 |
|
was,
maakt de aanwezigheid van de relieken wel verklaarbaar. Tijdelijk zijn de
relikwieën, samen met die van de H. Cyprianus en de
H. Celestinus, in 1572 uit vrees voor de
calvinisten uit het noorden,
die toen in de Zuidelijke Nederlanden huishielden, overgebracht naar de
burcht van Pamele binnen de stadsmuren van Oudenaarde. In
Ronse is de aandacht voor de H. Cornelius
minder groot. Daar staat de verering van de H. Hermes,
waaraan de oude kerk met een crypte uit circa 1100 is toegewijd, meer in de
belangstelling. Ten
oosten van Ronse, eveneens in Oost-Vlaanderen, ligt
de stad Ninove, waar vroeger een machtige abdij van
de norbertijnen lag en waaraan verschillende nog aanwezige oude gebouwen uit
de 17e eeuw de herinnering bewaren. Deze abdij had
als patroonheiligen Cornelius en Cyprianus. Toen de relikwieën van deze heiligen vanuit Kornelimünster naar Ronse
werden overgebracht, is een gedeelte hiervan, volgens het getuigenis van de
oude traditie van de kerk van Ninove, aan deze
plaats geschonken. In het belangrijke historische werk „Annales
Ordinis Praemonstratensis"
geschreven door Charles-Louis Hugo,
abt van de norbertijner abdij van Etival, staat te
lezen, dat de relikwieën van Ninove beroemd zijn door de talrijke genezingen die door de voorspraak
van de H. Cornelius zijn verkregen. Er is een in
het Latijn op perkament geschreven „Liber Miraculorum" (Mirakelenboek) uit de twaalfde eeuw
bewaard gebleven, waarin tal van wonderen door een norbertijn, oog- en oorgetuige, staan opgetekend. Het handschrift
werd in 1909 teruggevonden. In 1925 verscheen hiervan een kritische uitgave
van de hand van William Walker Rockwell.
In Ninove vinden we ook de eerste Broederschap van
Sint Cornelius. Deze werd opgericht door de abt van
de abdij van Ninove, Joannes
David. |
Paus
Urbanus VIII heeft deze
broederschap met vele aflaten begunstigd. De
verdere verspreiding van steeds kleinere gedeelten van het gebeente van de H.
Cornelius en de daarmee gepaard gaande verering is niet meer met nauwkeurigheid te volgen. Maar het is duidelijk
dat de verering van deze paus en martelaar in het westelijk deel van Europa
een grote bekendheid heeft gekregen. Pastoor P. Breugelmans,
die van 1941 tot 1959 de zielzorg in de parochie van Bokhoven waarnam en historisch
erg geïnteresseerd was voor alles wat met Bokhoven in verband staat, heeft de
volgende lijst nagelaten van in Nederland gelegen bedevaartplaatsen waar de
H. Cornelius vereerd wordt: 1.
Bokhoven bij 's-Hertogenbosch, 2.
Borgharen bij Maastricht, 3.
Den Hout bij Oosterhout, 4.
Esbeek bij Hilvarenbeek, 5.
Hatert bij Nijmegen, 6.
's-Hertogenbosch, 7.
Hoogerheide bij Bergen-op-Zoom,
8.
Lamsweerde bij Hontenisse,
9.
Leur bij Etten, 10.
Roosendaal, 11.
Swartbroek bij Weert, 12.
Vortum en Mullem bij
Boxmeer, 13.
Zeeland bij Uden, en 14.
Zeilberg bij Deurne. Bokhoven en de H. Cornelius Bokhoven
is geen oude bedevaartplaats ter ere van Sint Cornelius,
maar wel een zeer bekende. Pas in het jaar 1839 heeft de toenmalige ijverige
pastoor van
Bokhoven Joannes Hubertus
van Roosmalen, door de tussenkomst van pater Mathias
Wolff S.J. relikwieën van de H. Cornelius
ontvangen. Het gaat hier
om slechts zeer kleine stukjes uit 138 |
|
het
gebeente van de heilige. We weten niet waar deze bedrijvige pater, die een belangrijk
aandeel gehad heeft in de stichting van de Zusters van het Gezelschap van
J.M.J. in Engelen, dicht bij Bokhoven
gelegen, de relikwieën gehaald heeft. De bijbehorende brief is van Mgr. Cornelius Ludovicus, baron van Wijkerslooth, heer van Schalkwijk, bisschop van Curium i.p.i. en gedateerd op 14
oktober 1836. Omdat deze bisschop zelf Cornelius
heet zou het niet verwonderlijk zijn dat hij in het bezit is geweest van een
relikwie en welwillend een gedeelte daarvan heeft afgestaan. De
verering van Cornelius is in Bokhoven spoedig op
gang gekomen. Dit was mogelijk in een tijd toen de katholieken nog grote
waarde hechtten aan relikwieën
en aan het ontvangen van aflaten. Op 4 augustus 1839 kreeg de parochie van
paus Gregorius XVI de toezegging,
dat alle gelovigen die in de vereiste gesteltenissen de H. Cornelius in Bokhoven gingen vereren een volle aflaat
konden verdienen. Van toen af werd Bokhoven een druk bezochte bedevaartplaats.
Ook andere tijdsomstandigheden
werkten hieraan mee. |
In
de kroostrijke gezinnen kwam, vooral op het platteland, het heel vaak voor,
dat de baby's reeds in de eerste levensdagen stuipjes
kregen. De ouders moesten
het machteloos aanzien en ook de dokters wisten er
toen nog weinig tegen te doen. Wat kon men in die tijd anders doen dan
rechtstreeks zijn toevlucht nemen tot God.Aan Cornelius
vroeg men dan om bij God een goed woordje te doen. En hoe men het ook wil uitleggen,
feit is dat als regel de kleine er goed doorheen kwam. Er kwam ook een broederschap
tot stand, eerst in Drunen en vervolgens in vele
andere plaatsen over heel Nederland verspreid. Men
was er op uit de kinderen al heel jong als lid te laten inschrijven. Na de
doop in de Medaille H. Cornelius parochiekerk ging
men als regel van de kerk recht naar de woning van de broedermeester, die het
kind als lid inschreef en aan de meter een medaille van de H. Cornelius voor de kleine meegaf. Zo is Sint Cornelius een kindervriend geworden. Zo is het ook
begrijpelijk dat Bokhoven een bedevaartplaats is voor groot en klein. 139 |