Velden, G. M. van der, Bokhoven en de inname van het fort Crèvecoeur op 27
september 1794, in Met Gansen Trou 1971, blz.
112-115 met kaart
De Franse
Revolutie is ook voor ons land van ingrijpende invloed geweest. De Franse
legers wilden niets liever dan de nieuwe ideeën van vrijheid, gelijkheid en
broederschap, desnoods met wapengeweld over heel Europa verspreiden. Frankrijk
was reeds in oorlog geraakt met Oostenrijk-Pruisen en nog vóór het einde van
het jaar 1792 had generaal Dumouriez de Zuidelijke Nederlanden veroverd door de
overwinning bij Jemappes, ten zuidwesten van Bergen, in Henegouwen gelegen.
In de
zitting van 1 februari 1793 verklaarde de Franse Nationale Conventie (het door
algemeen kiesrecht gekozen toenmalige bewind dat over Frankrijks toekomstige
regeringsvorm zou moeten beslissen) de oorlog, niet alleen aan de koning van
Engeland, maar ook aan onze stadhouder prins Willem V. En daarmee raakte de
Republiek van de Verenigde Nederlanden, die zich tot dan toe buiten de oorlog
had kunnen houden, in de krijg betrokken.
Aanleiding
was het protest tegen de schending van de vrede van Munster, waarin o.a. aan de
Republiek der Verenigde Nederlanden het recht was geschonken de rivier de
Schelde te sluiten. De Fransen hadden zich hieraan niet gestoord en hun
oorlogsvaartuigen ongevraagd de Schelde doen opvaren. Dit protest vond steun
bij de Engelse regering, die tevens haar verontwaardiging toonde over de
terechtstelling van koning Lodewijk XVI.
Onder het
opperbevel van de reeds genoemde generaal Dumouriez, vergezeld van Daendels, de
Hattemse patriot, een van de ongeveer 6000 naar België en Frankrijk
uitgewekenen, trokken de Franse troepen zo spoedig mogelijk ons land binnen, om
ons leger uit te schakelen vóórdat Engeland een hulpleger kon hebben gezonden.
Deze inval van de Franse legers was slechts van korte duur, want zij moesten
zich weer ijlings terugtrekken toen ze in de rug werden bedreigd ten gevolge
van de nederlaag die de Franse troepen leden tegen de Oostenrijkse in de slag
bij Neerwinden, ten oosten van Thienen.
Van deze
nederlaag moest nu onmiddellijk profijt getrokken worden. Engeland zond een
legerkorps onder leiding van de hertog van York. Ook de Republiek der Verenigde
Nederlanden bracht een troepenmacht op de been van ongeveer 16000 man. Dit kwam
met de Pruisische en Oostenrijkse troepen te staan onder het opperbevel van de
hertog van Saksen-Coburg. Het doelwit was de Fransen uit de Oostenrijkse
Nederlanden te verdrijven en in Frankrijk het wettige gezag van de Bourbons te
herstellen.
Dank zij
het energieke optreden evenwel van Carnot, die in 1792 lid van de Franse
Nationale Conventie was en in 1793 van het "Comité de Salut public",
stelden zich de Fransen met bekwame spoed en het nodige enthousiasme te weer.
Half
april 1794, toen de legers in de winterkwartieren de nodige rust hadden
genoten, begon men van beide zijden tegen elkaar op te trekken. Bij Fleurus,
ten noord-oosten van Charleroi, werd op 26 juni het
Oostenrijks-Engels-Nederlands leger gedwongen voor de Franse troepen, onder
aanvoering van generaal Jourdan, te wijken.

Het noorderleger van de Franse krijgsmacht stond onder leiding
van de dertigjarige, bekwame en ijverige generaal Pichegru. Hij heeft in de
streek van de heemkundekring "Onsenoort" de krijgsverrichtingen
geleid. Hier ging het om de verovering van 's-Hertogenbosch als het meest
geschikte punt van waaruit men na de winter van 1794-95 naar het noorden zou
kunnen doorstoten.
Het
Franse noorderleger bestond uit zes divisies. Elke divisie was verdeeld in
brigaden en elke brigade weer in bataljons. De grootste divisie telde 19.000
man, de kleinste 5.000. Het gehele leger beschikte slechts over 306 stukken
geschut.
Twee van
de zes divisies waren betrokken bij de verovering van 's-Hertogenbosch: de
grootste onder aanvoering van generaal Souham, de kleinste onder leiding van
generaal Delmas. Pichegru had zijn hoofdkwartier opgeslagen op het kasteel te
Heeswijk N.B. Het hoofdkwartier van de divisiegeneraal Souham lag te Cromvoirt,
dat van generaal Delmas te Rosmalen.
De
bedoeling van Pichegru was om Den Bosch op 23 september 1794 van alle kanten in
te sluiten. Het fort te Orthen, dat slechts door een korporaal en drie
manschappen werd verdedigd, werd reeds daags tevoren door generaal Daendels
persoonlijk, door vier ruiters vergezeld, in bezit genomen. Nog diezelfde avond
begon men van daaruit Den Bosch met enige projectielen te bestoken. Generaal
Daendels, brigadecommandant in de divisie van generaal Delmas, had zijn
hoofdkwartier te Empel, dus dicht bij het fort Crèvecoeur, dat een belangrijke
rol zou moeten spelen bij de verdediging van 's-Hertogenbosch. De brigade van
generaal De Winter, die zijn hoofdkwartier te Vught had en tot de eerste
divisie van generaal Souham behoorde, bezette behalve Vught en het daarbij
gelegen Halder ook de volgende dorpen: Groot Deuteren, Vlijmen en Bokhoven. De
brigade van generaal Daendels bezette behalve het reeds genoemde Empel en het
fort Orthen, Rosmalen, Berlicum, Middelrode en St. Michiels-Gestel.
Brigade-generaal Macdonald moest Heusden en het oostelijk deel van de
Langstraat in observatie houden.
De
overgave van Den Bosch werd praktisch beslist door de inname van het fort
Crèvecoeur, dat verdedigd werd door de fortcommandant Tieboel. Tot de lasten
die de bevolking kreeg te dragen, behoren de onderwaterzettingen van grote
gebieden rondom Den Bosch. Engelen kwam zodoende geheel in het water te liggen
met uitzondering van een strook grond tussen Engelen en het fort Crèvecoeur ten
westen van de Diezedijk. Juist deze strook grond is voor het fort noodlottig
geworden, omdat de Fransen de kans kregen daar hun kanonnen te plaatsen op
ongeveer 500 meter van het fort. Dit geschiedde op 25 en 26 september 1794.
Tevens werden toen kanonnen geplaatst bij de Empelse sluis. Om te verhinderen
dat het fort hulp zou krijgen vanuit Hedel aan de overzijde van de Maas, werd
dit gedeelte van de rivier onder vuur gelegd door een kanon, dat men, buiten
het bereik van het vijandelijk geschut, op 27 september veilig had opgesteld
langs de weg van Crèvecoeur naar Bokhoven. In de nacht van 26 op 27 september
waren de troepen, die onder het bevel van Daendels stonden, erin geslaagd op
ongeveer 120 meter van het fort, daar waar de Maasdijk en de oostelijke
Diezedijk samenkomen, drie kanonnen in stelling te brengen. Iets meer oostelijk
langs diezelfde Maasdijk werd nogmaals een batterij opgeworpen van vier
kanonnen en vier houwitsers.
Eén dag
van beschieting was voldoende om de fortcommandant van Crèvecoeur, Tieboel, tot
overgave te dwingen. Hij capituleerde op 27 september 's avonds om negen uur.
Veel hadden de verdedigers van het vuur niet geleden, want bij de overgave
liepen er nog tien koeien op de wal rustig te grazen. (Zie voor al deze
gegevens het werk van F. H. A. Sabron: De oorlog van 1794-95 op het grondgebied
van de Republiek der Vereenigde Nederlanden. Breda. 1893.)
De
bezetting van Bokhoven heeft bij deze bedrijvigheden sporen achtergelaten.
Vooral het kasteel en de parochiekerk hebben eronder geleden.
Van het
kasteel van Bokhoven bestond in die dagen nog slechts de voorburcht, waaruit de
grafelijke familie met de verdere émigrés tijdig waren weggevlucht. (Zie ons
artikel "Het verblijf van een aartsbisschop van Lyon in Bokhoven" in
Met Gansen Trou, jrg. 20, blz. 24-27.) In het zevende deel van het werk
"Tegenwoordige Staat der Vereenigde Nederlanden" Behelzende Het
vervolg der beschrijvinghe van Holland. Uitgegeven te Amsterdam. Bij Isaak
Tirion, 1749, staat op de bladzijden 285 en 286 het volgende over Bokhoven en
zijn kasteel te lezen:
"Aan
het Land van Heusden en twee uuren ten Zuidoosten van de Stad aan de Rivier de
Maaze legt de Hooge en onafhankelijke Grondheerlijkheid van Bokhoven. Zij
behoort niet tot Heusden, ja zelfs niet tot Holland, Gelderland, nog
Staats-Brabant, maar tot het Prinsdom van Luik. Zij wordt van sommigen met den
Naam van Graaffschap vereerd, hetzij omdat zij aan een tak van het Graaflijke
Brabantsch geslagt van Immerzeel behoort of dat de Bezitter zich Graave van
Immerzeel-Bokhoven noemt. Men kan er niet dan van Hedikhuizen, Engelen of
Vlijmen naderen, dewijl het Land aan de andere kant bijna rondsom door
Moeraslanden omvangen wordt. De Heerlijkheid bestaat in een Dorp en geweldig
zwaar Kasteel. Het dorp is klein, maar de Kerk vrij groot met een spitsen
Tooren, in welke de Roomschgezinden, gelijk hier alle Ingezetenen zijn, hunnen
Godsdienst pleegen. Het Kasteel is van een zeer grooten omtrek, dog geheel door
de Spaansche Oorlogen vervallen en ter bewoning onbekwaam. Men ziet er alleen
grove Overblijffels van Toorens, Gewelfzelen en zeer dikke Muuren, die door de
hoogte zig van vrij verre voor het oog opdoen. Rondsom is het met een breede
Watergraft omvangen. De Voorburgt van het weleer pragtig Slot kan alleen noch
tot verblijf der Bezitteren dienen en is ruim genoeg om hen te konnen
huisvesten. Dit Gebouw heeft een zwaare Voorpoort met eenige zeskante spitse
sierlijke Toorentjes, en ter weerzijden eenen langen uitgebouwden Vleugel van
behuizinge, die wel onderhouden en met geene onaangenaame Tuinen versierd worden".
Deze voorburcht en bijgebouwen werden tijdens de bezetting door de Fransen in
het jaar 1794 vernietigd, zodat van het voormalige kasteel praktisch niets meer
overbleef. Volgens aantekeningen van pastoor Van Roosmalen, (zie
parochie-archief van Bokhoven, nr. 483) die ongeveer 40 jaar na de
gebeurtenissen eerst als deservitor en daarna als pastoor te Bokhoven verbleef
heeft een vertrek boven de poort van de voorburcht nog lang gediend als
raadhuis. Bij hoog water werd daar ook de H. Mis opgedragen o.a. in 1796. De
schuur en de binnenpoort van het kasteel, die na het vertrek van de Fransen
blijkbaar ook nog overeind gebleven waren, zijn 22 februari 1799 door het
kruiende ijs omgevallen. Twee personen verloren daarbij het leven. Het
Mortuarium of Dodenboek van de parochie van Bokhoven vermeldt bij het jaar
1799: "Nocte inter 21 en 22 februarij obiit, et sub ruinis horrei in arce
sepultus est Wilhelmus Kramers et filia ejus Maria Anne Kramers eadem nocte
inter 21 et 22 februarii obiit et attrita est sub ruinis. Erat
tempestas valida nimis, inundatio maxima, glacies crassissima, quae per ventum agita, impetum facientes in horreum, corruere fecerunt. Et prima
martij hic sepulti in caemiterio". Dit minder fraaie Latijn zouden we aldus
kunnen weergeven: In de nacht van 21 op 22 februari stierf en werd bedolven
onder het puin van de ingestorte schuur van het kasteel Wilhelmus Kramers. Ook
zijn dochter Maria Anna Kramers werd in dezelfde nacht onder het puin
verpletterd. Er woedde toen een bijzonder zware storm, de overstroming was zeer
hoog en het ijs geweldig dik. Door de storm voortgedreven beukte dit kruiende
ijs tegen de schuur en deed deze instorten. Ze zijn hier op 1 maart op het
kerkhof begraven.
Sedert
dien, vertelt pastoor Van Roosmalen verder, hebben nog enige arme gezinnen de
overgebleven ruïnes bewoond. In 1842 heeft men een groot ijzeren hek in de
overgebleven poort gehangen. Op de wal buiten de gracht was een zeskantig
huisje blijven staan. Dit werd in de dagen van pastoor Van Roosmalen door de
veldwachter bewoond.
De kerk
van Bokhoven had tijdens het verblijf van de Fransen te lijden door het geschut
vanuit Ammerzoden. Daar lag toen een detachement van drie bataljons en drie
erkadrons Hessen, onder kolonel Van Linsingen, ter verdediging van het
grondgebied van de noordelijke Nederlanden. Deze Hessen behoorden tot het
hulpleger onder opperbevel van de hertog van York. In dit leger dienden
namelijk Engelsen, Hannoveranen en Hessen. De voorhoede van dit leger stand
onder commando van generaal-majoor Van Hammerstein, die werd bijgestaan door
twee brigadecommandanten: generaal-majoor Van Linsingen en generaal-majoor Van
During. Het orgel van de kerk werd bij de beschieting getroffen door een kogel
en zwaar beschadigd. De restauratie van het orgel door de gebroeders Smits uit
De Reek in het jaar 1828 hangt hoogstwaarschijnlijk hiermee samen.
G. v. d. Velden,
pastoor van Bokhoven