De Kosterij van Bokhoven 1369-1969

door G M van der Velden o-praem

Capita Selecta

 

§ 8. De weerslag van de roerige tijd van 1789 tot 1830 op het leven in Bokhoven

 

Het begon reeds in 1787 toen hij nog maar een goed jaar in Bokhoven woonde. Pastoor Hockx schrijft over dit jaar in zijn dagboek: "In dit jaar isser niets bijzonders voorgevallen alsdat dit Graafschap van Bokhoven aan menigvuldige menschen gedient heeft tot veijligheijd van hunne persoonen en goederen, die uyt Holland en omliggende plaatsen hier na toe gevlugt waaren ter oorsaake van de groote oneenigheden, verschillen, troebels, plunderingen en andere geweldenarijen etc., die er in de Republyk (en bijsonderlijk te s'Bosch in de maand november) zijn voorgevallen, waarvan de jaarboeken en historieschrijvers wel veel zullen konnen melden, edogh niet genoegsaam zullen konnen uytdrukken de schrik, angst, en levensgevaar etc. in de welke de ingezetene van s'Bosch gesteld waaren ten tijde van de schroomelijke plunderinge en andere geweldenarijen aldaar, bijzonderlijk den 8-de, 9-de en l0-de november gepleegt en uytgevoert". 130

De jaren 1789-1795 staan in de geschiedenis bekend als de tijd van de Franse Revolutie. Deze omwenteling bracht in heel Europa een einde aan de oude standenstaat. De Kerk werd in Frankrijk van haar invloed en bezittingen beroofd. De kloosters werden vernietigd. Men wilde van haar een staatsinstelling maken. Daarop was de Constitution civile du clergé van 12 juli 1790 gericht. Deze Constitutie stelde alle geestelijken van Frankrijk voor een zware gewetensbeslissing. Wie de eed op de Constitutie niet wilde afleggen, was wel verplicht uit overwegingen van lijfsbehoud het land te ontvluchten en elders een veilig onderkomen te zoeken.

De bewoners van Bokhoven hebben van dit alles kennis kunnen nemen uit de eerste hand. Op 11 november 1792 kwam de graaf uit Frankrijk naar zijn graafschap aan de Maas. Leden van zijn familie en verdere relaties volgden hem op zijn vlucht op 18 november.

 

130) A.P.B., inv.nr. 471, onder het jaar 1787, Dagboek van pastoor J. W. Hockx met aantekeningen van pastoor De Bruijn

 

96

Onder hen bevond zich de aartsbisschop van Lyon, Yves-Alexandre de Marbeuf. Hij was een invloedrijk persoon tot dan toe geweest. Koning Lodewijk XVI had hem in de maand juli van het jaar 1777 tot "ministre de la feuille" benoemd. Dit hield in, dat hij de portefeuille van de kerkelijke beneficies had te verzorgen. In deze functie had hij de medewerking verleend aan de benoeming van 47 bisschoppen. In het gezelschap van de aartsbisschop waren meegekomen zijn vicaris-generaal, Jean-Baptiste Verdollin, en bovendien de pastoor van Marolles, Nicolaus Ludovicus Perinet. Marolles ligt niet ver van Parijs. In het daar gelegen kasteel van de graaf van Bokhoven had Yves Alexandre de Marbeuf, die geparenteerd was aan de grafelijke familie Montmorency-Robecq, enige tijd zijn intrek genomen, omdat het hem onmogelijk gemaakt werd in zijn eigen bisdom te verblijven.

De aanwezigheid van deze geestelijken heeft aan de koster heel wat extra werk verschaft in kerk en sacristie. Vooral in het jaar 1793 heeft hij het ongelooflijk druk gehad, toen de aartsbisschop, met toestemming van de vicarius apostolicus van 's-Hertogenbosch aan 10.807 personen uit 29 dorpen het H. Vormsel heeft toegediend. Hij heeft daar heel wat dagen werk mee gehad.131

Kort daarop trok het noorderleger van de Franse krijgsmacht, onder leiding van de dertigjarige, bekwame en ijverige generaal Pichegru, in de richting van Den Bosch en omgeving. De brigade van generaal De Winter, die zijn hoofdkwartier vestigde te Vught, bezette behalve Vught ook de dorpen: Groot Deuteren, Vlijmen en Bokhoven. Bij die gelegenheid werd de voorburcht van het kasteel, het enige wat nog overeind stond, vernietigd, zodat van het eens zo machtige kasteel praktisch niets meer overbleef.132

Ook het huis van de schoolmeester heeft het moeten ontgelden.

 

131)A.P.B., inv.nr. 136, eerste bladzijden, Aantekeningen van pastoor De Bruijn omtrent belangrijke gebeurtenissen tijdens zijn pastoraat;

Velden, G. van der, Het verblijf van een aartsbisschop van Lyon in Bokhoven, in M.G.Tr. jrg. 20 (1970), bIz. 24-27.

132) Velden, G. van der, Bokhoven en de inname van het fort Crèvecoeur op 27 september 1794, in M.G.Tr. jrg. 21 (1971), bIz. 112-115.

 

97

 

Het kerkgebouw daarentegen liep slechts weinig schade op. Pastoor De Bruyn, die het allemaal heeft meegemaakt" heeft daarover het volgende opgetekend: " Want in dit jaar (1794) sijn de Fransen hier gekoomen, hebben hier 17 weeken gestadigh geweest, hebbe (ik) gedurende dien tijt altoos inquartieringh gehad, veel onrust uytgestaan, gelijk ook de inwoonders, welkers klagten ik daagelijkx hoorde, omdat se hier bij den commandant quamen klagen, die somtijts geret wierden, somtijts niet. Daarbij waaren der wel rijkelijk 30 persoonen in 't begin hier in 't brandhuys (het washuis van de pastorie) daar sij kookten en huys hielden soo sij best konden, uyt vrees van het geschut over de Maas, dat hier dicwils in't begin raak speelde, als blijkt in de kerk alwaar den hoek van het orgel door eenen kogel is weghgeschooten sonder hinder aan de pijpen, den tweden heeft eenen beer recht over het poortje van den voorhof geraakt sonder tot in de kerk door te gaan als datter wat steenen door de glasen sijn gevlogen. Ook ist eenen aldernaarsten morgen geweest voor ons op den 11 december als wanneer de Fransen meijnde de Maas te passeeren. Want soo mij verhaalt is, waaren hier 40 stukken kanon met de nodige kruytwagens, de welke alle rontom de kerk achter de muer van den hof stonden. Daarbij een eijselijk geschiet van den overkant, soo dat wij in doods benauwthijt waaren. God echter heeft ons alle wonderlijk gespaart, en alhoewel er alsdan huysen doorschoten sijn, gelijk dat van Kalff, van de meester, soo magh men seggen dat het niets is ten opsigte dat het verschooren stont, van heel het dorp tot een puynhoop te schieten. En duerde dit geschiet circa 3 quartier oft een uer. Dese oorloghsinstrumenten vertrokken sijnde, kon men de blijtschap gelijk niet uytdrukken. Eenige dagen daar naar begon het snel en langh te vriesen, soo dat de Maas gink sitten en eijndelijk den 3-den Korsdagh (Kerstmisdag) de Fransen over de Maas getrokken sijn".133

Daarop volgde in het begin van 1795 een zeer hoge waterstand, zodat de huizen onder water kwamen te staan. De dijkdoorbraken

 

133) A.P.B., inv.nr. 136, onder het jaar 1794, Aantekeningen van pastoor De Bruijn omtrent belangrijke gebeurtenissen tijdens zijn pastoraat

 

98

van de Vlijmense- en van de Hedikhuizense dijk brachten in Bokhoven wat verlichting. De koster-schoolmeester J. Fr. Huijgens zag er niet veel heil in nog langer in Bokhoven te blijven. Eind 1795 is hij teruggekeerd naar zijn geboorteplaats Weelde, om daar de taak van school meester-organist op zich te nemen.

Op 1 oktober 1795 werd Bokhoven bij het Franse rijk ingelijfd. De greep van de graaf van Bokhoven op het kerkelijk leven in zijn graafschap was niet groot meer. De benoeming en installatie van de volgende koster-schoolmeester-organist, Petrus van de Wijer, werd een aangelegenheid die de pastoor, namens de abt van Berne, nagenoeg alleen afwerkte. Pastoor W. I. de Bruyn heeft er het volgende over opgetekend: "Den 5 februarij (1796) is al hier gekoomen Petrus van de Wijer, geboortigh van Cassel (waarschijnlijk is hiermee bedoeld het tegenwoordige Castelre bij Herenthals), voorheen organist en schoolmeester tot Ravels, om alhier de plaats van koster, organist, en schoolmeester te vervullen, den welken als dan volgens de Synode van 's-Bosch sijn geloofsbelijdenisse in de kerk gedaan hebbende, hem als dan in possessie gestelt hebbe (nomine abbatis a quo commissionem acceperam) met het overgeven van de sleutels van de kerk. En de jonghmans en dochters hebben hem als schoolmeester ingehaalt, en de school verciert met eenige kransen en een boogh voor de deur".l34

Pastoor De Bruyn heeft op een afzonderlijk blaadje een "Regelment voor den koster van de kerk van Bokhoven" opgesteld, dat bewaard is gebleven.135 Dit reglement bevat de volgende punten: "Alle morgens de kerk open te luyden een half uer voor de misse, een quartier daarna het leste teken geven door tikken.

Dogh sondaghs en hijlige dagen die geviert worden als de sondagen een uer voor de misse luyden en een half uer daar naar het laatste teken geven door het tikken.

smorgens, smiddaghs en savonts dagelijkx den Angelus Domini te

 

134) idem, onder het jaar 1796.

135) A.P.B., inv.nr. 221, Stukken betreffende de bezittingen en inkomsten van de kosterij; en de plichten van de koster.

 

99

 

luyden en te tikken met het klijn klockje. En onder de hooghmisse onder de elevatie te tikken driemaal met de middelklok.

Sondaaghs van een uer tot quartier voor twee uren cathecismus houden in de school, van waar den meester sijne kinderen brenght tot de kerk, daar blijvende om het goed order te onderhouden.

En aldan een rosenhoeijken voorbidden hetgene door de kinders beantwoord word.

Alle morgens den pastoor te helpen in 't sacristije, als kleden, misse dienen etc., de autaaren te vercieren, veranderen na eijsch der feestdagen, de publieke bedieningen mede te doen, vooraf gevende een teken door de middelklok, en vooraf gaande met licht en bel.

Dagelijks de albe opvouwen, de autaaren dekken, smorgens ontdekken, afstoffen etc.

Als ook de gewonelijke processien bij te woonen, en wat verder gebruykelijk is, sal met ter tijt sigh leeren".

Op datzelfde velletje papier staat ook een gespecificeerde opgave van de vaste inkomsten van de koster. Pastoor De Bruyn heeft dit met kleine wijzigingen overgenomen van pastoor Hockx. Van het dorp 200 gulden; van de kerk het sinds lang vastgelegde salaris van 52 gulden en 19 stuivers; van de pastoor voor het aandeel van de koster in de 13 jaargetijden 11 gulden en 10 stuivers; van de heer rentmeester der gravelijke goederen 2 gulden. De pastoor heeft er per jaargetijde 15 stuivers aan toegevoegd, dus 5 gulden en 5 stuivers. Alles bijeen bedraagt het vaste inkomen van de koster-organist-onderwijzer 271 gulden en 14 stuivers.

In de jaren 1796-1799 is koster Van de Wijer vijfmaal peter bij doopsels en in de jaren 1796-1800 vijftien maal getuige bij huwelijken.136

Zijn naam keert jaarlijks terug onder de uitgaven in de kerkrekeningen. Die kerkrekeningen maken ook de tijdsveranderingen mee. In het  jaar 1797 verschijnt op de kerkrekening een stempelafdruk met de woorden: Bat. Brabandsch Kleinzegel. Bij de afhoring

 

136) A.P.B., inv.m. 69, Register waarin staan ingeschreven huwelijken 1768-1920.

 

 

100

is de drossaard niet meer aanwezig geweest. Op 5 november 1801 heeft de laatste uitbetaling aan koster De Wijer plaats gehad. Dit was een gedeeltelijk tractement van 39 gulden, 14 stuivers en 4 penningen, omdat hij het jaar niet had volgemaakt.137 Petrus de Wijer had in dat jaar 1801 voor zijn betrekking bedankt.

Ook deze koster heeft moeten ondervinden, dat hij uit de Kempen terecht gekomen was in een polderland langs de Maas met regelmatige overstromingen. Dat begon al in het eerste jaar van zijn benoeming. Pastoor De Bruyn heeft er dit over opgetekend. "Op het eijnde van dit jaar (1796) hebben wij hier wederom het waater gehad en een groot drijgende perijkel om het eijs, dat aan het oosteijnde berghsgewijs stond, dan God lof is wel vergaan. Het waater heeft circa ander halven duym in de keuken geweest. Op het raadhuys hebbe wij misse gelesen". Blijkbaar stond het water ook in de kerk. En dat bracht allemaal extra werk voor de koster.

Op 10 juli 1798 heeft de Hoogeerw. Heer Ant. van Alphen die als apostolische vicaris van 1790-1831 het bisdom bestuurde, de kerkvisitatie te Bokhoven gehouden en alles in goede orde bevonden, wat niet alleen tot eer strekt van de pastoor maar ook tot die van de koster.

Het jaar daarop heeft men weer te kampen gehad met wateroverlast en drijfijs. Dank zij de aantekeningen van pastoor De Bruyn zijn we over dit geval goed ingelicht. "In dit jaar hebben wij een langen en aanhoudenden vorst gehad, eenen aldersterksten winter, het water seer hoogh en waste allenskens langen tijd al met duijmkens, soo dat het soo hoogh geweest is, dat het op het opkamerke een stroij breet gestaan heeft. Alles was op Maas en velt bevrosen, en een geweldigh swaar eijs. En ons dorp lagh rondom in die swaare schol, hetgene een ider dede vreesen. Dan op den nacht tussen den 21 en 22 februarii een alderonstuymighste weder opstaande, verselt met donder en blixem, en, soo vele menen, met een swaare aardbevinge, raakte de schol los in 't velt en begon te kruijen recht op

 

137) A.P.B., inv.nr. 343, fol. 6 en 7; inv.nr. 344, fol. 8 en 9; inv.nr. 345, fol. 7V en 8, Kerkrekeningen.

 

101

 

Bokhoven, zijnde wind suijd west, Soo dat wij in't uyterste en aldergrootste gevaar waaren om wegh te spoelen. De omliggende durpen meijnden niet anders als dat Bokhoven geheel wegh was. Dan het heeft God behaaght ons niet tenemaal, gelijk het verschooren stont, te vernietigen. Het huys van Cornelis Dekkers wiert om gestooten door het eijs, en het achterhuys van Timmermans mijnen nabuer, die niet langer dervende blijven in het voorhuys, met de sijne en kinderen en bij hem gevluchte 's nachts om half drie uren circa hier quamen aanbaijen door het waater om haar leven te redden. Alles was in consternatie. 's Morgens hoorde men dat de groote schuer van't kasteel omgekruyt was en twee menschen in verplettert waaren, Willem Kramers en Maria Anna sijne dochter, hetgene mij groote droefhijt dede. De binnepoort van 't casteel, seer sterk geboud, was om gekruyt. En acht huysen te samen om gekruyt oft merkelijk beschadight. Den bogaart van de pastorij was om verre en te niet, uytgenomen den borgamotboom en den bellefleurboom. Sanderendaaghs oft op den dagh van den 22 gongh de Maas los. Al wederom nieuwe anxten, het roepen van hulp en de naerhijt is niet te beschrijven. 's Nachts hebben de trouwe inwoonders uyt de reets gesonkene huysen de menschen door een gat in't dak te snijden uytgehaald, die niettegenstaande haaren ouderdom door het waater en eijs baijden in't hemt tot het eerst bijgelegen huijs, soo dat wij waarachtigh mogen seggen "misericordia Domini, quia non sumus consumpti". Op den dach circa 1 uer brak den dijk door op de Haarsteegh dat ons een lossinge van water en val besorghde. Dan ontertussen bleef het gevaar van kruyen noch al aanhouden tot den geheelen dagh daar naar. Bij sommigte op het eijnd was geen mogenlijkhijt om te naderen oft hun te helpen. Maar op de Haarsteegh is de verwoestinge alderellendighste. Twalef menschen sijn omgekoomen, 37 huysen wegh en beschadight. Onsen heeren, den Eerw. Heer Bekkers pastoor, en Loneux en Spriessen waaren gevlucht op het casteel van Onsenoord. De kerk en een stuk van het huys omgekruyt. Den Eerw. Heer pastoor heeft hier sijne schapen ten deele de Paaschen gegeven, en verdere diensten verricht. Uyt dit sal een

 

 

 

102

ider wel bemerken wat eenen ellendigen, droeven tijd dit voor ons geweest is."

Om minder hinder te hebben van wateroverlast werd in 1801 de kerk en de sacristie ongeveer anderhalve voet opgehoogd. Tegelijkertijd werd de kerk voorzien van een nieuwe communiebank, van nieuwe stoelen en andere zitplaatsen. De drie altaren kregen nieuwe treden. En de koster moest zich maar voegen naar al die, voor de vervulling van zijn dagelijkse taak zeer hinderlijke, werkzaamheden.

Op 5 januari 1800 werd bij transactie en tegen een hoge prijs het graafschap Bokhoven tegelijk met de volgende heerlijkheden: het graafschap Megen, het land van Ravestein, de baronie van Boxmeer, de heerlijkheid Oefelt en de commanderij van Gemert, die alle door de Fransen in bezit waren genomen, aan de Bataafse Republiek afgestaan. Zij vormen de zogenaamde gecedeerde landen.138

G. A. Visscher, commissaris van het uitvoerend bewind der Bataafse Republiek bij het departementaal bestuur van de Dommel, en speciaal belast met het in bezit nemen van deze gecedeerde landen, kwam 19 maart 1800 naar Bokhoven. Hij heeft daarover een rapport opgesteld, waarin hij schrijft: "... ik vond daar, dat de vorige regering nog compleet existeerde, except een, die overleden was. Nadat ik onderrigt was van de braafheid dezer menschen, en mij van een nieuwen te benoemen had doen onderrigten, aarzelde ik geen oogenblik alzo te kunnen continueren".139

In feite trad er dus weinig verandering op. Maar geleidelijkaan gingen ook in Bokhoven de nieuwe wetten toepassing vinden. Pastoor De Bruijn heeft genoteerd, dat vanaf 11 februari 1804 de verlovingen en huwelijken eerst voor de schepenen moeten geschieden alvorens de kerkelijke huwelijkssluitingen mogen volgen. Het begraven in de kerk gaat verminderen en ten slotte verboden worden. De laatste begrafenis in de kerk was die van 18 februari 1823, toen

 

138) Hermans, C. R., Geschiedkundig Mengelwerk over de provincie Noord-Braband, dl. 1, 's-Hertogenbosch 1840, bIz. 7 en 9.

139) Hermans, C. R., Bijdragen tot de geschiedenis, oudheden, letteren, statistiek en beeldende kunsten der provincie Noord-Braband, dl. 2, 's-Hertogenbosch 1845, bIz. 462 en volgende.

103

 

Hoogw. Heer Petrus Deckers, abt van de abdij van Berne en pastoor van Hedikhuizen, op 14 februari in de pastorie van Hedikhuizen overleden, in Bokhoven werd begraven. Pastoor W. I. de Bruijn werd de eerste priester die op 17 september 1828 buiten de kerk, vóór het kruis, dat toen aan de oostzijde tegen de buitenkant van het priesterkoor hing, ter aarde werd besteld.

De opvolging van koster Petrus van de Wijer schijnt geen moeilijkheden meegebracht te hebben. Pastoor De Bruyn beperkt zich tot deze sobere mededeling: "Petrus van de Wijer bedankt hebbende voor sijne plaats, is hier in sijne plaats aangenomen H. van den Bogaart, koomende van Volkel, en hebbe hem den 12 Decembris (1801) in possessie geset met hem de sleutels over te leveren van de kerk, naardat hij voorens de belijdenisse des geloofs gedaan hadde".

Henricus van den Bogaart was getrouwd met Elisabeth van den Broek. Ze hadden een zoon, Antonius.140  In Bokhoven kreeg de koster nog een dochter, Christina, die 11 januari 1803 werd gedoopt. 141

De nieuwe koster komen we weer vaak tegen in de parochieregisters. Of schoon het aantal huwelijken sterk was teruggelopen - in de jaren 1807, 1808, 1811, 1812, 1816, 1824, 1825 werd er geen enkel huwelijk gesloten - was hij toch nog 31 maal getuige. Bij doopsels was hij slechts tweemaal peter. Hij liet dit werk dikwijls door zijn vrouw opknappen.

Jaarlijks staat zijn traktement van de kant van de kerk - nog altijd 52 gulden en 19 stuivers - in de kerkrekeningen onder de uitgaven vermeld. Hij kreeg ook jaarlijks een uitbetaling van 6 gulden "voor diensten aan de blaasbalk op het oczaal" of "voor trappen op den blaasbalk". Daar hij organist was, zal dit werk wel door zijn zoon Antonius zijn uitgevoerd.

De veranderingen van de tijd blijken wederom uit de zegels die op de kerkrekeningen verschijnen. Kerkrekening 346 is voorzien van een stempel met de woorden "Kleinzegel 1805". Boven kerkrekening

 

140) A.P.B., inv.nr. 69, Register waarin staan ingeschreven huwelijken, 1768-1920.

141) A.P.B., inv.nr. 66, Register waarin staan ingeschreven doopsels, 1768-1890.

 

104

347 (afgehoord 1810) staat een stempelafdruk met de woorden,"Empire Français 1810". In kerkrekening 348 wordt bij de afhoring niet meer van schepenen gesproken. Het college van schepenen was in 1811 afgeschaft. Er wordt niet meer gerekend met guldens, stuivers en penningen, maar zoals tegenwoordig met guldens en centen.

Het honorarium van de koster werd dus f 52,95. De waarde van de zegel (Formaatzegel) op kerkrekening 351 (afgehoord in 1826) is ook in centen uitgedrukt, namelijk 45 cent. Bij deze afhoring is toegevoegd aan het slot: "in presentie van A. van Eijck, burgemeester". Hier betekent dit woord "burgemeester" niet meer zoals in het verleden zoveel als gemeenteontvanger, maar heeft het de huidige betekenis van dit woord. Onder de kerkrekening die in 1827 is afgehoord, staan de handtekeningen van de pastoor, van de burgemeester en van de assessor. De laatste kerkrekening waarin nog een uitbetaling aan koster H. van den Bogaart staat (voor een kwart jaar) is een zuiver kerkelijke aangelegenheid geworden. Alles is op ongezegeld papier en ondertekend door de pastoor en twee kerkmeesters.

 

Die pastoor was pastoor Josephus Martinus Beckers.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

105

 

HOOFDSTUK VI

 

DE SCHEIDING VAN HET KOSTERSAMBT EN HET

SCHOOLMEESTERSCHAP

 

§ 1. De eerste moeilijkheden waarvoor pastoor Beckers kwam te staan

 

Pastoor J. M. Beckers werd op 29 september 1828 door prior Beels van de Abdij van Berne (er was toen geen abt) voorgedragen om pastoor De Bruyn in Bokhoven als pastoor op te volgen. Op diezelfde dag toog hij naar Schijndel, waar hij door de Vicarius Apostolicus van het Bisdom Den Bosch, Ant. van Alphen, tot pastoor van Bokhoven werd aangesteld. Maar het ging niet van harte. Want deze Mgr. Van Alphen wilde J. M. Beckers niet als religieus van de Abdij van Berne erkennen en hij ontzegde ook aan de prior van de abdij het recht om een pastoor voor de parochies, waarover de abdij steeds het patronaatsrecht heeft gehad, voor te dragen. Hij stond op het foutieve standpunt, dat de Abdij van Berne alle voorrechten had verloren, ofschoon Willem I, Koning der Nederlanden, bij besluit van 22 januari 1825, de abdij in dit recht van voordracht had gehandhaafd. Dit werd de reden waarom de nieuwe pastoor pas op 7 november 1832 officieel als pastoor te Bokhoven door de deken van het district Heusden, Jacobus van Asten, werd geïnstalleerd.1

Dit was nog maar de eerste moeilijkheid waarmee deze strijdvaardige pastoor te doen zou krijgen. Reeds in de maand november 1828 deed zich een tweede probleem voor. We zijn van al deze zaken goed op de hoogte dank zij de vrije uitvoerige aantekeningen die

 

 

 

 

1) A.P.B., inv.nr. 66, onder het jaar 1828, Register waarin staan ingeschreven doopsels, 1768-1890.

Frenken, A. M., Van Alphen en de Religieuzen, bijzonder de Norhertijnen van Berne, in Bossche Bijdragen, jrg. 23 (1956-1957), blz. 1-31.

 

106

pastoor Beckers persoonlijk gemaakt heeft.2 Op 19 november 1828 was te Engelen overleden Gijsberta Stappershoef, een van de eerste leden van de Societeit van J. M. J., die in Engelen als onderwijzeres werkzaam was in het daar opgerichte pensionnaat. Omdat de koster van Bokhoven in dit kostelijk verhaal ook een rol heeft gespeeld, laten we hier pastoor Beckers persoonlijk aan het woord:

"Toevallig kwam ik in gemeld dorp (Engelen), alwaar mij verzogt wierd, om het ligchaam (van Gijsberta Stappershoef) op onzen kerkhof ter aarde te bestellen en alles te verrigten op die wijze, zoo als het hier gebruikelijk was. De dag werd bepaald en ik kondigde des anderen daags mijnen gemeentenaren zulks aan, terwijl de koster van 11 tot 12 uren de doodklok deed horen. Dan een dag daarna ontving ik eene missive uit name del directrice, waarin men mij melde, dat om gewigtige reden de zaak veranderd was en dat het ligchaam niet te Bokhoven, maar te Engelen zou begraven worden. Verontwaardigd over eene zoo ongehoorde als voor mij vernederende verandering, deed ik hen zulks onder gepaste bewoordingen gevoelen. Meenende dat alles geëindigd was, ontving ik na eenige dagen weder eenen brief van wegen gemelde onderwijzeressen, waarin zij mij verzochten, van voor de rust der ziel van de overledene een allerplegtigst zingende zevende te doen. Ik volbragt zulks, deed de kaarsen, welke voor den lijkdienst reeds in gereedheid gebragt waren, opsteken, de beste ornamenten gebruiken enz., waarvoor als voor de diensten des kosters door meergezegde Mejufvrouwen betaald is de somme van f 40,-".

Kort daarop volgde een derde tegenvaller voor de pastoor. Reeds eerder waren er plannen geweest om in Bokhoven een meisjespensionnaat te beginnen.3 In 1793, op 31 mei, had de drossaard van Bokhoven in opdracht van de graaf, die toen met zijn familie in de voorburcht van het oude kasteel vertoefde, een huis met tuin (eertijds "de Roskam" genaamd) gekocht van Jenneke van Dure voor de prijs

 

2) A.P.B., inv.nr. 472, Dagboek van de pastoors Beckers en Van Roosmalen.

3) Velden, G. van der, Het verblijf van een aartsbisschop van Lyon in Bokhoven, in M.G.Tr., jrg. 20 (1970), blz. 26.

107

 

van 1200 gulden. Het lag in de bedoeling van de Graaf van Bokhoven hierin een pensionnaat op te richten en daarin religieuzen te plaatsen.4 Door de komst van de Franse troepen heeft dit plan geen doorgang gevonden. In 1828 kwam er een nieuwe kans. "Zedert bijna een jaar", zo heeft pastoor Beckers opgetekend, "waren onder de schoonste beloften, van de meisjes zoo in christelijke leering als in alle vrouwelijke handwerken te onderwijzen, door toedoen van onzen Eerw. confreer Jac. van Hooff, pastoor van Engelen, alhier aanvaard twee masoeurs namenlijk C. Kliebisch en Anna Maria van Hooff. Voor dezelve werd dadelijk het raadhuis of raadkamer in het hooge huis ingeruimd, waarvoor jaarlijks aan den Heere rentmeester des Heeren Graafs f 35,- betaald worden. Dan daar de ziekelijke toestand van C. Kliebisch niet toeliet aan de op hen Ed. berustende verpligting te voldoen, en daar nu een jaar reeds verlopen was, zonder iets nuts der gemeente toegebragt te zijn, dacht het mij allernoodigst, den burgemeester te waarschuwen en hem duidelijk te maken, dat het geensints als geoorloofd moest beschouwd worden, eene aanzienelijke somme voor nut- en werkelooze menschen uit gemeentes fondsen te betalen. Men begon zulks na te denken. De Weled. Heer Rentmeester F. X. Verheijen kreeg hiervan kennis en beval aan zijnen zaakgelasten alhier, Leonardus Calff, van aan gezegde Masoeurs aan te zeggen, dat zij het vertrek onverwijld hadden te ruimen. Dit gebeurde, docht zij lieten niet na, zoo als het aan dat slach van menschen eigen is, hierover veel te praten en voor te wenden, dat zij verdrukt werden, enz.!! Zij namen de wijk naar Jan van Mil, vervolgens naar C. Timmermans. God gave! dat zij met hunnen woon het dorp verlieten!!!"

Het was jammer dat dit mislukt is, want het lagere schoolonderwijs zou voor de meisjes een nuttige aanvulling en voortzetting gevonden hebben. Want vooral de meisjes kwamen op de lagere school met slechts een enkele mannelijke leerkracht veel te kort op het terrein van de typisch vrouwelijke handvaardigheden.

 

4) A.P.B.., inv.nr. 136, Aantekeningen van pastoor De Bruijn omtrent belangrijke gebeurtenissen tijdens zijn pastoraat.

 

108

Tegen het eind van het jaar 1827 had de koster, Henricus van den Bogaart, zich tot de prior van de Abdij van Berne en tot de pastoor en het kerkbestuur van Bokhoven gericht met het volgende verzoekschrift, dat hij door de burgemeester, Antonius van Eijck, had laten opsteIlen:

"Geeft eerbiedig te kennen, Hendrik van den Bogaard, oud zeventig jaaren, geboren te Uden en wonende alhier te Bokhoven, provincie Noord-Braband.

dat den suppliant eenen aanzienelijken tijd den post van custer en organist van de meergemelde parochiale kerk van Bokhoven zoo in het belang derzelve kerk als ten genoegen der Hoogere Authoriteiten heeft bekleed,

dat de suppliants zwakke gestel en in verval van krachten niet meer toelaten de plicht zijnen post verder te vervuIlen, maar volgens het hier boven aangehaalde een rustiger leven vordert,

zoo dat het voor den suppliant allernoodzakelijkst is van zijne post voor eenen tijd ontslagen te worden en zijnen loon aan te presenteren voor een jaar of langer,

mits dat mijnen zoon, Antonius van den Bogaard, den post als custer en organist met alle de verdere werkzaamheden en verplichtingen zal uitoeffenen als van ouds gebruikelijk is geweest en nog blijft, niets uitgezonderd, waarvoor ik zal afstaan het tractement sjaarlijks met deszelfs voordelen, die ik uit de kerk genoten heb, geen uitgezonderd, tot den teid dat hij het in mijn plaats zal waarnemen of de voorschreven werkzaamheden verrigten ten genoegen van de Hooge Authoriteiten en partijen,

mits dien zich wendt reverentelijk tot Uw. Eerw. Heer en Heeren verzoekende dat Uw Eerwaarde mogten behagen om aan den suppliant zijn eervol ontslag voor een jaar of langer te verlenen en zijnen zoon in zijn plaats aan te nemen en aan te stellen.

Hetwelk doende.. .".

Aan dit verzoek werd op 10 september 1827 schriftelijk voldaan.5

 

 

 

5) A.P.B., inv.nr. 221, Stukken betreffende de bezittingen en inkomsten van de kosterij en de plichten van de koster.

109

 

De gezondheidstoestand van Henricus van den Bogaart liep snel achteruit. Begin december 1828 richtte hij zich tot de gemeenteraad met het verzoek of hij zijn zoon Antonius met diens gezin bij zich mocht laten inwonen, omdat hij de hulp van zijn zoon en van diens vrouw nodig had.

Niet alle leden van de gemeenteraad stonden welwillend tegenover de zoon van de koster. Antonius was niet alleen waarnemend koster en organist, maar tevens winkelier en broodslijter. Ze gaven daarom voor, dat dit beroep niet mocht worden uitgeoefend in het school- of kostershuis. De burgemeester evenwel nam Antonius in bescherming en verklaarde: "zich nimmer te zullen verzetten wijl het vaderlijk gezag het zijne overtrof".6 Antonius trok dus bij zijn vader in. Deze ging zienderogen achteruit en stierf op 18 december 1828.7

 

§ 2. De benoeming van W. H. Besters tot schoolmeester

 

Het ogenblik naderde nu, waarop het kosterschap van het ambt van onderwijzer zou worden gescheiden. Eeuwenlang zijn zij samengegaan, maar deze accumulatie van ambten was in de pas begonnen nieuwe tijd niet te handhaven. Pastoor J. M. Beckers zag het goed aankomen en voorzag ook, dat dit grote moeilijkheden zou meebrengen voor de kosterij en haar bezittingen en rechten.

Het lag aanvankelijk geheel in de lijn van de verwachtingen, dat Antonius van den Bogaart (later is men gaan schrijven Bogaard), die reeds sinds 10 september 1827 waarnemend koster en organist was geweest en die de derde rang van onderwijzer bezat, tot koster-leermeester zou worden gekozen. Maar er waren er te veel in de gemeenteraad, die tegen de persoon van Antonius waren gekant. Door toedoen van de burgemeester werd Antonius van den Bogaard tijdelijk belast met het waarnemen van de school. En, naar het oordeel van de pastoor, "kweet hij zich meesterlijk van dezen pligt".

 

6) A.P.B., inv.nr. 472, bl.z. 3, Dagboek van de pastoors Beckers en Van Roosmalen.

7) A.P.B., inv.nr. 71, Register waarin staan ingeschreven overledenen en gevormden.

 

110

Maar de voorgeschreven weg moest worden bewandeld voor een definitieve benoeming van een nieuw schoolhoofd. In de krant werd weer bekend gemaakt, dat de onderwijzersplaats in Bokhoven vakant was, werden de voordelen van deze post opgesomd en werden sollicitanten opgeroepen voor het vergelijkend examen. Zou er opnieuw een onderwijzer worden gekozen, die tevens de taken van koster en organist op zich zou kunnen nemen, dan zou deze als organist het door de gebr. Smits uit Reek hernieuwde orgel mogen bespelen. Dit werk was in december 1828 klaar gekomen.8

Pas in de loop van het volgende jaar 1829 werd het vergelijkend examen afgelegd. Er waren vier gegadigden: Antonius van den Bogaard en nog drie andere kandidaten. Het examen werd afgenomen door de schoolopziener H. E. Verschoor, burgemeester van Sleewijk. Een paar dagen later zond deze de proeven van bekwaamheid aan het gemeentebestuur van Bokhoven en hij stelde daarbij voor, een keuze te maken tussen H. W. Besters en A. van den Bogaard. Hij kon zich met de keuze van een van deze twee volgaarne verenigen.

Wilde nu de verbinding van het kosterschap met het ambt van onderwijzer gehandhaafd blijven, dan moest de keuze vallen op Antonius van den Bogaard. Maar wat de pastoor vreesde gebeurde. Bij de stemming in de gemeenteraad brachten de meeste leden, die toch al A. van den Bogaard niet welgezind waren, hun stem uit voor H. W. Besters. Alleen de burgemeester en Hendrik Mulders stemden voor A. van den Bogaard. Nu riep de pastoor de voorspraak in van de gouverneur der provincie, die inderdaad schriftelijk pleitte voor de keuze van A. van den Bogaard. Het mocht niet baten en W. H. Besters werd door de minister van binnenlandse zaken tot schoolmeester te Bokhoven benoemd.

 

§ 3. De bezittingen van de kosterij in het geding

 

Omdat pastoor Jos. Mart. Beckers nog maar nauwelijks een jaar

 

 

 

8) A.P.B., inv.nr. 472, blz. 3, Dagboek van de pastoors Beckers en Van Roosmalen.

111

 

in Bokhoven was, had hij zich niet voldoende op de hoogte kunnen stellen van de bewijsstukken der rechten van de kosterie, die in het parochiearchief zaten opgeborgen. Hij handhaafde A. van den Bogaard als koster-organist, maar gaf hem de raad het kosters- of schoolhuis te verlaten en zijn intrek te nemen in het zogenaamde Hooghuis, dat aan de grafelijke familie behoorde en door de rentmeester F. X. Verheijen ter beschikking werd gesteld.

De nieuwe schoolmeester kwam 29 september 1829 in Bokhoven aan en koos het huis van J. van Mil als zijn kosthuis. Dat liep allemaal nogal goed af. Daags daarna kwam hij met zijn vader naar de pastorie. De vader beval zijn zoon aan de zorgen van de pastoor aan. De jonge schoolmeester had een aanbevelingsbrief van de schoolopziener meegebracht. "Maar", zo schreef pastoor Beckers in zijn reeds genoemd dagboek, "ik sloeg hierop weinig acht, daar de steller des briefs onroomsch en onbekwaam was om mij wegens het zedelijke in te lichten, en verwonderde mij dat de meester van geen getuigschrift van de pastoor zijner geboorteplaats of vroegere woonplaats voorzien was". Om de opvattingen en de mentaliteit van die dagen in een klein dorp als Bokhoven een beetje te begrijpen, laten we hier volgen, wat de pastoor naar aanleiding van deze eerste kennismaking met de nieuwe onderwijzer nog meer optekende. "lntusschen ik gaf hem voor raad van zich met niemand en voornamelijk met geene geschillen in te laten, maar onzijdig zijnen pligt te betrachten. Overigens vermaande ik hem bij voorbaat, dat wanneer hij willens was de jongelieden der gemeente te tracteeren, zulks moest geschieden zonder dat jongelingen en jongedochters in een huis bij elkander kwamen, en zonder dat er bij die gelegenheid onpasselijkheden plaats grepen. Hij beloofde mijne bevelen te zullen nakomen. Daarenboven vermaande ik volgens pligt des zondags over dergelijke bijeenkomsten en vernieuwde bij die gelegenheid de bevelen daaromtrent door Zijn Hoogwaarden den Vikaris Generaal uitgevaardigd en gegeven.

Maar des niettegenstaande konden eenige der stijfhoofdigen goedvinden tegen mijne vermaning dit feest te vieren op den dag juist dat

 

112

de choristen bij den burgemeester hunnen gewoonelijken teerdag hielden. Omtrent den middag, half beschonken, begon een woeste hoop den optogt: jongelingen en meisjes ondereen, gevolgt door zatte leden van den raad, trokken met eenen eerboog, waaronder de meester ging, naar de school en hielden stil voor de woning van den koster, van den burgemeester en H. Mulders, door gezang en dansen deze insulteerende. Ik bedroefde mij hierover en gaf op den daarop volgenden zondag mijn leedwezen openlijk te kennen, met bijvoeging, dat ik geen der ongehoorzamen in den biechtstoel zou toelaten, tenzij zij mij alvorens vergiffenis gevraagd hadden en de gegeven ergernis hersteld ware. Daarenboven zegde ik hun, dat ter voorkoming van buitensporigheden mij mijn geweten verpligtte, de toegezegde belooning voor de eer bij mijne aankomst mij aangedaan, niet te laten volgen, maar dat ik de hiervoor gedeponeerde gelden, tijdens het ophanden zijnde wintersaisoen aan brave armen zou uitreiken".9

Intussen ging de pastoor zoeken in het parochiearchief naar duidelijke documenten betreffende de bezittingen en rechten van de kosterij en maakte aan de hand daarvan een nota op, waarin hij aantoonde dat het zogenaamde schoolhuis met hofje met nog enige landerijen tot de eigendommen van de kosterij of kleine dienst behoorden en dat derhalve de nieuwe schoolmeester wederrechtelijk aanspraken op dit schoolhuis maakte.

Op 4 januari 1830, na een vergadering van het armbestuur waarbij de leden van de raad aanwezig waren, verzocht de pastoor aan de burgemeester een nieuwe vergadering te openen die niets met het armwezen te maken had. Daarin vroeg de pastoor het woord. Eerst liet hij de door J. van Loon in 1613 opgemaakte notariële akte betreffende de goederen en inkomsten van de kosterij door de burgemeester als een wettig stuk verklaren en las vervolgens aan de leden van de raad de nota voor, waarin hij bewees dat het zogenaamde schoolhuis tot de wettige eigendommen van de kosterij behoorde en

 

 

9) A.P.B., inv.nr. 472, blz. 5, Dagboek van de pastoors Beckers en Van Roosmalen.

113

 

tevens de bedenkingen hiertegen weerlegde. Ten slotte verklaarde hij, dat derhalve Antonius van den Bogaard als koster dit huis zou betrekken, en vorderde derhalve de sleutels.

Pastoor Beckers heeft van heel het geval en van wat er volgde uitvoerige aantekeningen in zijn journaal gemaakt. Hier volgt wederom de letterlijke tekst.

"Hierop verliet ik de raadkamer en, zoo ik vernam, had de burgemeester met de vergaderde leden van den raad goedgevonden de sleutels van het schoolhuis op mijne aanvrage onder reçu af te geven en dan de Ed.Gr.Achtbare Staten der Provincie te raadplegen, wat hen in het onderhavige geval te doen stond. Dan zonder tijdverwijl begaven zich buiten kennis van den burgemeester de heeren leden naar 's-Bosch om deswege met een advocaat te raadplegen en, zoo als het vervolg van tijd geleerd heeft, een request aan de Gedeputeerde Staten te doen opstellen.

Ik hoorde zulks en deed daarom al spoedig schriftelijk op mijnen naam door heeren kerkmeesters A. van Eijck en Adr. den Doop de sleutels van het kostershuis aan heeren assessoren C. Timmermans en J. van Mil afvragen, doch zonder gevolg. Ik deed zulks voor de laatste reis herhalen op den 16 januarij en wijl men weigerig bleef, gaf ik mijn kerkmeesters order om met smid en timmerman de voordeur te openen en aldus den koster in possessie te stellen, hetgeene in tegenwoordigheid van velen gebeurde, terwijl op de gemelde voordeur dadelijk een ander slot gemaakt werd, welkers sleutel in handen van den koster werd gesteld".

§ 4. Pastoor Beckers door zijn oversten in de steek gelaten

"Ongetwijfeld hadden daags daaraan de heeren leeden opposanten zich tot de Weleerw. Heer Prior gewend en over de door mij geweldige possessieneming van het zoogezegd schoolhuis hunne klachten ingediend, daar mij op den 17 januarij dezen brief van gezegden Eerw. Heer Prior werd toegezonden:

Eerwaarde Heer Confreer!

 

 

 

 

114

Zoo ik hore, gaat het te Bokhoven al vrij hevig in zijn werk. Doch ik blijf zeggen, dat ik mij met deze zaak niet inlate. Ook zal de Abdij zich hiermede niet bemoeijen. Tracht als herder de zaak in der minne te schikken. Ook is het huis nog zoo oud niet. Onderneemt niets op naam der Abdij, waartegen ik altijd zal protesteren.

Uw Eerw. Dw Dienaar en Confreer F. A. Beels, prior Vlijmen 17 Januarij 1830

Hoe vreemd mij deze taal toescheen zal eenieder makkelijk kunnen beseffen, wanneer men in overweging neemt:

1° dat door mij ter goede trouw de WelE.Heer Prior met al de stukken, welke handtastelijk ons regt behelsden en beweezen, was bekend gemaakt en zelfs aan zijn Eerw. de kopieën waren overgelegd.

2° dat de Abdij of Hoogw. Heeren Prelaten sedert het jaar 1747 zich bij de benoeming eens kosters hebben ingelaten en dus beweert dat het jus nominationis evenals het regt van presentatie des pastoors van Bokhoven aan hun Hoogwaardens toekwam. Hiermede was de Weleerw. Heer Prior niet onbekend, en had zich dus met mij openlijk moeten doen gelden, terwijl de kosterij en derzelver goederen en inkomsten pericliteerden!

Ik inmiddels beantwoorde den bovenaangehaalden brief niet, maar zond op den 18 januarij A. van Eijck, burgemeester en kerkmeester, om Zijn Weleerw. met het voorgevallene en met mijne meening van moedig voort te gaan, bekend te maken.

Op den 23 januarij werdt mij het request van de heeren leden van den raad van Bokhoven door den districtcommissaris van Waalwijk toegezonden ten fine van een spoedig berigt.

Ziet hier den inhoud van hetzelve:

Bokhoven 14 januarij 1830

Geven met verschuldigde eerbied te kennen Christiaan Timmermans assessor, Jan van Mil assessor, Hendrik van Eijck, Jan Pullen, Willem van der Leden, leden van den raad van Bokhoven, dat zij rekwestanten zich verpligt vinden aan Ed.Gr.Achtbaren bekend te maken, dat zedert onheugelijke tijden den post van schoolonderwijzer in deze gemeente is vervuld geworden door denzelven persoon, die

115

 

met de plaats van koster in de parochiale kerk was begunstigd. Dat bij de benoeming van den tegenwoordigen onderwijzer de cumulatie dezer twee bedieningen heeft opgehouden en die onderwijzer thans het schoolhuis bewoond.

Dat de burgemeester, die tevens kerkmeester is, de sleutels van het schoolhuis heeft gevordert, om hetzelve door den koster te laten bewoonen, zich prevaleerende van de daadzaak, dat de voorige kosters dat huis steeds hebben bewoond en hun opvolger datzelfde regt moet behouden.

Dat rekwestanten vermeenen, dat de predecesseurs van den koster, dat gebouw hebben gehad qua schoolmeesters, omdat zij die betrekking altijd in zich vereenigden, en de koster qua talis derhalve nu niet geregtigd is, om het schoolhuis te bewonen.

Welk een en ander zij oordeelen middagklaar te kunnen bewijzen uit de omstandigheid, dat het kwestiens huis niet uit de fondsen der kerk, maar uit die der gemeente is opgebouwd en onderhouden, waarvan de blijken zijn te vinden in de gemeentes rekeningen van de jaren 1620, 1638, 1660, 1673, 1792, 1793, 1796, 1797 en 1813. Dat dientengevolge dit gebouw ook als eigendom der gemeente, en niet van de kerk, in de brandwaarborgmaatschappij is verzekerd; welke verzekering door den burgemeester is bewerkstelligd, die dus zelf het er steeds voor gehouden heeft, dat het schoolhuis aan de burgerlijke gemeente behoord.

Dat de meening van dien ambtenaar over den eigendom, welke de gemeente op het kwestiens gebouw heeft, nog klaarder is gebleken uit de bijdragen tot het schoolwezen, waarin hij als voordeelen aan de vacante onderwijzersplaats alhier verknocht, heeft opgegeven onder anderen: het schoolhuis met tuin en daaraangelegen weide omplant met willige boomen, welke opgaaf hij niet geregtigd was te doen, zoo hij deze voorwerpen niet als eigendom der gemeente beschouwde.

Dat de rekwestranten op grond van het bovenstaande oordeelen, dat zij den sleutel van het schoolhuis niet aan den burgemeester qua kerkmeester, ten behoeve van den koster, vermogen over te geven

 

116

en aan hunne pligt als regenten der gemeente zouden te kort schieten, indien zij in deze aan het verlangen van den burgemeester hadden voldaan.

Dat zij ondertusschen voorzien, dat de burgemeester niet zal aflaten, de sleutels te blijven vorderen en dit aanleiding moet geven tot oneenigheden, waardoor de ingezetenen dezer kleine en arme gemeente te veel zouden lijden, hetgeen hen dan ook heeft doen besluiten om zich in deze tot U Ed.Grootachtbaren te wenden, om door U Ed.Gr.Achtb. authoriteit de zaak te doen beslissen, waardoor de schade uit de onderhavige verdeeldheid kunnende voortvloeien zal worden voorgekomen en zij rekwestranten buiten alle verantwoordelijkheid zullen blijven.

Mits welke zoo keeren zij zich eerbiediglijk tot U Ed.Gr.Achtb. met gedienstig verzoek, dat het U.Ed.Gr.Achtb. behagen moge, de in de premissen dezer omschrevene zaak naauwkeurig te doen onderzoeken en daarna te bevelen, dat het schoolhuis bij uitsluiting is bestemd tot het, in daartoe ingerigte vertrek, geven van onderwijs en huisvesting van den onderwijzer, zonder dat de koster eenige aanspraak op de bewoning zal kunnen maken, met aanschrijving aan den burgemeester, dat hij verantwoordelijk is voor de uitvoering van U Ed.Gr.Achtb. eventueel besluit".

Op deze aan Gedeputeerde Staten gerichte brief, die door de districtscommissaris van Waalwijk op 23 januari 1830 werd doorgestuurd aan de pastoor, opdat deze zijn antwoord en tegenargumenten zou kunnen geven, reageerde pastoor J. M. Beckers met een uitvoerige en goed gedocumenteerde nota, die hij 27 januari 1830 aan Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant zond. Dit gedegen betoog, waarvan de volledige tekst bewaard is gebleven in het journaal van de pastoor, vormt een korte samenvatting van de geschiedenis van de kosterij of kleine dienst. Als belangrijkste bewijsstuk werd door de pastoor naar voren gebracht de op 24 januari 1613, op initiatief van pastoor Jan Moors, opgestelde lijst van eigendommen en cijnzen van de kosterij. Het gaat hier om een door schepenen officieel erkend stuk, waarop in het hoofdstuk "De oudste gegevens

 

117

 

over de Bokhovense kosterij of kleine dienst" reeds werd gewezen. Daarin wordt het schoolhuis met aangrenzende hof uitdrukkelijk genoemd onder de eigendommen van de kosterij.

Na de historische inleiding komt pastoor Beckers dan tot de volgende conclusies:

"1o dat bewust huis en hof, hoe ook genaamd, van origine de eigendom der kosterij is en niet der gemeente Bokhoven, en dat dus de koster en deszelfs predecesseurs qua talis en niet als schoolmeesters voorschrevene woning hebben bewoond, en bij gevolg, dat de actuele koster Antonius van den Bogaard in deze ongestoorde possessie moet worden gehandhaafd, ofschoon door de benoeming van H. W. Besters tot schoolonderwijzer de cumulatie van koster en schoolmeester heeft opgehouden.

2o dat de van dorpswege gedane reparatiën blijkens door rekwestranten aangevoerde rekeningen over 1620-1673 billijk waren, zijnde de gemeente hiertoe bij accoord gehouden, en dat deze herstellingen, evenmin als de opbouwing in 1789 geschied uit hoofde van verzuimde reparatiën of ter voorkoming van telken jare nieuwe vallende herstellingen, aan regenten geene aanspraak kunnen geven tot den bewezen eigendom der kosterij.

3o Eindelijk de door den burgemeester bewerkstelde verzekering van het bekend huis in de Brand-Waarborg-Maatschappij zoals de door dien ambtenaar gedane advertentie nopens de baten aan de vacature verknocht, leveren geen bewijs van eigendom op voor de gemeente, maar behooren aan een alleszins verschoonbare onwetendheid toegeschreven te worden, hebbende alhier nimmer eene scheiding van het kosters- en schoolonderwijzersambt plaats gehad.

4o Ten slotte kan ik voor Ed.Gr.Achtbaren niet verbergen, dat het onderwerpelijk huis valschelijk als bewoond door den tegenwoordigen onderwijzer wordt opgegeven; terwijl ik nadeelige gevolgen betreur, welke voor mijne gemeente moeten voortvloeien uit de willekeurige handelwijze van sommige liefdelooze leden van den raad, die verantwoordelijk voor het geval, de eenige oorzaak der bestaande verdeeldheid zijn".

 

118

Pastoor Beckers stuurde zijn betoog aan de districtcommissaris, die het met zijn bemerkingen doorstuurde aan de Gedeputeerde Staten. Als resultaat kwam uit de bus, dat twee gevolmachtigde leden van de gemeenteraad en de pastoor uitgenodigd werden, om op 5 maart in Den Bosch tot een minnelijke schikking te komen. De oppositiepartij in de gemeenteraad van Bokhoven kozen als afgevaardigden Jan van Mil en Hendrik van Eyck. De burgemeester en H. Mulders waren het met deze keuze niet eens, maar lieten aan Gedeputeerde Staten schriftelijk weten, dat zij genoegen zouden nemen met de schikking, die door hen en de pastoor van Bokhoven zou worden getroffen.

De aangewezen dag viel voor de pastoor erg slecht. Hij was sedert enige dagen "door de koude koorts aangetast". Toch begaf hij zich per schuit op weg. Maar voordat hij in Vlijmen aankwam, was de koorts zo ernstig toegenomen. dat aan voortzetting van de reis niet meer kon worden gedacht. Toch nog in Vlijmen gearriveerd begaf de pastoor zich naar de burgemeester van Vlijmen, W. Mommersteeg, met het verzoek een schriftelijke verklaring op te stellen van verhindering wegens ziekte. De pastoor gaf deze verklaring mee met de schippers met de opdracht dit schrijven aan de Heren leden van Gedeputeerde Staten af te geven. Zelf kroop hij zo snel mogelijk onder de wol.

Ofschoon de eigenlijke bespreking hierdoor geen doorgang heeft kunnen vinden, hebben de twee afgevaardigden van de gemeenteraad van Bokhoven toch een gesprek gehad met Gedeputeerde Staten in 's-Hertogenbosch. Omdat de beide heren niets wisten van de uitvoerige en degelijk gedokumenteerde nota van de pastoor, waren ze onaangenaam verrast, toen ze naar huis gestuurd werden met de raadgeving de zaak met de pastoor te overleggen en te trachten tot een schikking te komen.

En inderdaad verscheen enige dagen later H. van Eijck aan de pastoriedeur met de vraag of hij de pastoor kon spreken. De pastoor ontving hem welwillend. "Ik stelde hem voor", aldus de eigen woorden van pastoor Beckers, "om voor het gebruik en genot der kosters

 

119

 

landerijen jaarlijks uit gemeentekas te betalen f 108,- en eene huur van f 10,- voor het gebruik der schoolkamer. Doch dit kwam hem te drukkend voor en wilde dus liever van alles, hetgeene de kosterij competeerde, afgezien. Ook dit was mij welkom. Dan, dewijl deze schikking op schrift gebragt, geteekend en door Ed.Gr.Achtb. moest goedgekeurd worden, zegde ik hem hiervan eene akte te zullen vervaardigen en hen ter teekening te zullen zenden. Nog denzelfden dag zond ik hen dit stuk, reeds met mijne handteekening voorzien. Maar de heeren verkozen het niet te teekenen ten antwoord gevende, dat zij het schoolhuis niet afstonden. Ik bemerkte dus wel, dat er met die menschen niet te handelen was, waarom ik mij aan Ed.Gr.Achtbaren voordeed met bijvoeging van hetgeen tusschen mij en H. van Eyck was geconvenieerd en met inroeping van hunne authoriteit ter beslissing.

De Heere van Onsenoort district-commissaris, door de Staten gelast, kwam vervolgens hier en stelde mij voor eene tamelijke huur te eischen voor het schoolhuis en het hiervoor ter inwooning van den onderwijzer te geven. Doch ik verklaarde Zijn Ed. hierin nooit te zullen bewilligen wijl zulks tegen het belang der kosterij strijdig was. Zijn Ed. begaf zich toen naar de raadkamer en handelde met de heeren leden, welke ten slotte niet meer dan f 88,- wilden toekennen voor het gebruik der landerijen. Terugkomende nam gemelde Heer Commissaris het middagmaal met mij, en gaf verslag van het bovenstaande. Ik zeide dat ik niet onredelijk wilde, maar dat ik ook geenzins met f 88,- tevreden was, dat dus jaarlijks f 98,- voor de landerijen en f 10,- voor het gebruik van het schoollocaal zouden betaald worden.

Op het rapport van meergenoemde Heer Commissaris zoude zich de vergadering der Gedeputeerden volgaarne met het door mij ontworpen plan van schikking, ondanks een different van f 10,-, vereenigd hebben, zoo het hen Ed. niet nodig geschenen had, vooraf het gemeentebestuur van Bokhoven aan te schrijven, om aan den schoolonderwijzer de baten, aan dit ambt verknocht, eerst te verzekeren. De burgemeester derhalve handelde met den meester, en men kwam

 

120

overeen met hem f 25,- boven zijn tractement toe te kennen voor het gemis van het huis en moestuintje. Hiervan werd een procesverbaal opgemaakt en door de leden en den schoolmeester geteekend, en verder aan Heeren Gedeputeerde Staten overgemaakt".

§ 5. De definitieve regeling omtrent de bezittingen van de kosterij

"Nu schenen alle zwarigheden uit den weg geruimd, waarom dan de Ed.Gr.Achtbare bij besluit van den 28 Mei 1830 Litt. V.V.V. de door mij met het gemeentebestuur aangegane overeenkomst goedkeurden".

Hier volgt de volledige tekst van deze overeenkomst:

"28 mei 1830 Litt.V.V.V.

Extract uit het register der besluiten

afdeeling Policie

van de Gedeputeerde Staten der

onderwerp

schoolbelangen Bokhoven

Provincie Noord-Braband

De Gedeputeerde Staten der Provincie Noord-Braband gehoord hebbende het gerapporteerde ingevolge appointement commissoriaal van den 18 dezer maand op de stukken betrekkelijk het in de gemeente Bokhoven bestaan hebbende geschil over de bewoning van het schoolhuis of kosterswoning aldaar, welk geschil is opgerezen geweest tusschen de meerderheid der leden van den raad dier gemeente en den pastor der R.C.Gemeente aldaar, bij gelegenheid der benoeming van den tegenwoordigen onderwijzer H. W. Besters, ten gevolge daarvan de bedieninge van koster en schoolmeester, welke vroeger altoos in een en denzelfden persoon zijn vereenigd geweest thans zijn afgescheiden geworden.

Gezien de te dezer zaak tusschen het gemeentebestuur van Bokhoven en den pastoor aldaar onder approbatie dezer vergadering aangegane overeenkomst is luidende als volgt:

De ondergeteekende leden van het gemeentebestuur van Bokhoven zijn ten aanzien der R.C.kosterij met den Heer pastoor aldaar overeengekomen als volgt:

 

 

 

121

 

Art. 1 Aan den gemeentes schoolonderwijzer zal vrij en onbelemmerd tot eenen onbepaalden tijd gelaten worden de in kosterswoning aanwezige ruime schoolkamer voor eene huur van 10 gulden jaarlijks door de gemeente te betalen, mits door den onderwijzer en schoolkinderen den in- en uitgang ter zijde genomen worden; zullende overigens de gewone reparatiën der bedoelde schoolkamer ten laste komen van den verhuurder.

Art. 2.

Aan de gemeente Bokhoven zal bij voortduring zoo als van ouds het gebruik blijven en door dezelve het jaarlijks inkomen genoten worden der onderstaande perceelen hooi- of weiland onder meergen. gemeente gelegen en de kosterij behoorende namentlijk van:

1° een bunder 27 roeden 64 ellen in Reuserskamp

2° van 99 roeden 27 ellen in het Langbroek

3° van 42 roeden 55 ellen op het Hoogveld genaamd de Poel; mitsgaders van

4° een weike met willige boomen omplant, in de groote onbepaald en bekend onder de naam van schoolhof.

Voor welk gebruik en genot de gemeente telken jare op of omtrent 1 januarij aan den koster zal uitbetalen de somme van f 98,- ditmaal met aanzuivering der drie laatste en openstaande maanden van 1829. Zonder onder gemelde somme van f 98,- te begrijpen de f 2,- welke aan den koster verschuldigd zijn voor diensten bij het zingende jaargetijd met vigilie van Simon Willemse van den Anker.

Art. 3.

Nooit zal dit verdrag en overeenkomst door het gemeentebestuur kunnen of vermogen veranderd worden dan met voorkennis, instemming en goedkeuring van den R.C.pastoor aldaar.

Gedaan en gepasseerd ten raadhuize der gemeente Bokhoven meergemeld, heden den 12 Mei 1830.

 

 

 

 

 

122

Geteekend.

Jos.Mart.Beckers pastor

de burgemeester A. van Eyck

C. Timmermans assessor

J. van Mil assessor

H. Mulders

J. Pullen

W. van der Leeden

Gezien de deliberatie van het gemeentebestuur van Bokhoven van den 17 April jl. waarbij aan den schoolonderwijzer H. W. Besters wordt verzekerd het genot der volgende baten en inkomsten waarop hij is beroepen en aangesteld als: een jaarlijks tractement uit gemeenteskas van een honderd acht en negentig guldens; voor schoolgelden wegens het onderwijs der kinderen in het jaar zeven gulden tien cents; het gebruik van den zoogenaamde schoolhof; 's winters vrije verwarming in het schoollocaal, terwijl door den zelven voor het gemis van het tegenwoordige schoolhuis of kosterswoning met een klein moestuintje, volgens de door hem, blijkens voors. deliberatie met het gezegd gemeentebestuur aangegane schikking zal worden genomen eene gemeentelijke toelage van vijf en twintig guldens jaarlijks, tot zoo lang de gemeente in staat zal zijn of worden gesteld eene andere woning en schoollocaal te doen bouwen of aankoopen. Mede gezien de ter dezer zake ingewonnen berigten en consideratiën van den Heer District Commissaris van Waalwijk

in aanmerking nemende dat het in het belang der zaak alleszins wenschelijk voorkomt dat het bedoelde geschil door eene minnelijke schikking wordt getermineerd

overwegende dat de hiervoor vermelde overeenkomst naar aanleiding der voors. deliberatie van 17 April jl. niet kan geacht worden te strekken tot praejuditie van den schoolonderwijzer H. W. Besters

hebben goedgevonden en verstaan te approberen zoo als geschiedt bij deze de tusschen het gemeentebestuur van Bokhoven en den R.C.pastoor aldaar aangegane overeenkomst zoo als dezelve hiervoor is geïnsereerd, onder den mits, dat de betaling der bij Art. 1 bepaalde jaarlijksche huur zal ophouden zoodra de school in een ander locaal zal zijn overgebragt.

123

 

Afschriften van dit besluit zullen gezonden worden aan het gemeentebestuur van Bokhoven, aan den pastor der R.C.gemeente aldaar, aan den schoolonderwijzer H. W. Besters en aan den schoolopziener in het 8 district dezer provincie tot informatie en narigt respective, alsmede aan de commissie van financiën uit deze vergadering ten einde daarop bij het annecteren der gemeentebegroting van Bokhoven te kunnen achtslaan.

's-Bosch den 28 Mei 1830

De Gedeputeerde Staten voomoemd

geparapheerd: J. van de Mortel, I.P.

ter ordonnancie van dezelve

geteekend: F. X. Verheyen

  Accordeert met voors. register De Griffier F. X. Verheyen"10

Pastoor Van Roosmalen heeft in het register, waarin hij de stukken die de parochie Bokhoven betreffen uit de periode 1285-1855 heeft afgeschreven,11 bij art. 2 de volgende nota geplaatst:

"I. dat in het voorg. art. 2 gezegd wordt "aan de gemeente Bokhoven zal bij voortduring, zoo als van ouds, het gebruik blijven en door dezelve het jaarlijks inkomen genoten worden van de onderstaande perceelen. . .", waarbij te noteeren is dat die gemeente, zoo als van ouds, ook daarvan de lasten draagt.

II. dat de perceelen, welke in het voors. art. 2 omschreven worden, in groote abusievelijk zijn opgegeven, hetgeen voorkomt omdat destijds de juiste groote der landerijen volgens het kadaster in deze gemeente nog niet van algemene bekendheid was, want eerst op den 21 october 1832 door den Heer Inspecteur van het kadaster in deze provincie een afschrift van den legger van het kadaster voor deze gemeente Bokhoven afgegeven, en het is volgens dat afschrift, dat

1. de voorg. een bunder 27 roeden 64 ellen, genaamd de Negen

 

10) A.P.B., inv.nr. 488, fol. 66v en 67, Register waarin pastoor Van Roosmalen gegevens omtrent de kerkgoederen, het beheer daarover en over de kosterij heeft verzameld, en inv.nr. 221, Stukken betreffende de bezittingen en inkomsten van de kosterij en de plichten van de koster.

11) A.P.B., inv.nr. 232, fol. 155, Register waarin de stukken die de parochie Bokhoven betreffen staan afgeschreven.

 

124

Hond, in Reuserskamp, kadastraal bekend is in sectie A. num. 81, groot 1 bunder 21 roeden

2. de voorg. 99 roeden 27 ellen, genaamd de Zeven Hond, in 't Langbroek, kadastraal bekend is sectie A. num. 88, groot 98 roeden 10 ellen

3. de voorg. 42 roeden 55 ellen op het Hoogveld genaamd de Poel, zijnde helft van een perceel land waarin de kerk de andere helft heeft en mede genoemd wordt de Kleine Kerkemergen, voor die twee kleine halve mergens gezamelijk bekend is kadastraal sectie A. num. 55, groot 75 roeden 61 ellen, waarin de kosterij niet met 42 roeden 55 ellen, maar hoogstens met 37 roeden 80 ½ el komt, welk met dat van de kerk door 't kerkbestuur wordt verpacht

4. het voorg. weike, gelijk het thans in vruchtgebruik is bij de gemeente, kadastraal bekend is in sectie A. num. 228, groot 37 roeden 20 ellen

III. dat de f 2,-, welke aan den koster verschuldig zijn voor de diensten bij het zingende jaargetijd met vigilie van Simon Willemse van den Anker, eene jaarlijksche rent is in eene meerdere rent van acht gulden waarin de pastoor 5 gulden en de kerk 1 gulden heeft voortspruitende uit een kapitaal van twee honderd gulden ad 4% volgens schepenbrief van den 18 Mei 1702".

Pastoor Beckers was zeer gelukkig met de getroffen regeling. In zijn meergenoemd dagboek schrijft hij: "De parochiale kerk van Bokhoven is nu in het onbetwistbaar bezit van de kosterswoning of, zoo als het vroeger genaamd werd, van het schoolhuis, waarvan de noodige reparatiën ten laste komen van den koster, terwijl het kerkbestuur zich belast met het betalen der Brandwaarborg Maatschappij, waarin de kosterij voor eene somme van f 2.000,- is geassureerd".

 

 

 

 

 

 

 

125

 

HOOFDSTUK VII

 

DE DRIE LAATSTE KOSTERS VAN BOKHOVEN

VAN 1830 TOT 1952

 

§ 1. De eerste koster die niet tevens onderwijzer is

 

Antonius van den Bogaard is de eerste koster, die niet tevens onderwijzer was. Hij kreeg daardoor meer tijd voor zijn werk als koster, maar zijn inkomen zou ook aanmerkelijk verminderd zijn als voor hem geen nieuwe regeling was getroffen. En dit was mogelijk, omdat de gemeente voor het vruchtgebruik van de kosterijlanderijen jaarlijks f 98,- aan de kerk ging betalen om daarmee het traktement van de koster op te trekken. Pastoor Beckers komt tot het volgende overzicht van de inkomsten voor de koster1: "Boven inwoning en het gebruik van het aangelegene moestuintje zijn de inkomsten voor den koster jaarlijks als volgt:

1o volgens bovenstaande geapprobeerde overeenkomst wordt 's jaars uit gemeenteskas op of omtrent 1 januarij aan den koster betaald de somme van f 98,-; voor huur der schoolkamer, zoo lang geen ander locaal door de gemeente hiertoe zal genomen worden f 10,-; item wegens het zingende jaargetijd met vigilie van Simon Willemse van den Anker f 2,-; totaal van de gemeente f 110,-.

2o van het kerkbestuur voor 't spelen van het orgel, het opwinden van het uurwerk, voor het stoffen van het plafon 3 maal in 't jaar, het wekelijks vegen van de kerk en wegens 7 zingende jaargetijden f 52,95; van hetzelfde bestuur nog wegens 7 zingende jaargetijden door wijlen Joanna Maria van de Leur gefundeert f 5,25; totaal uit kerkefonds f 58,20.

3o van den heere pastoor van Bokhoven heeft de koster jaarlijks

 

 

 

 

 

 

1) A.P.B., inv.nr. 472, blz. 13, Daghoek van de pastoors Beckers en Van Roosmalen.

 

126

wegens 13 zingende jaargetijden f 11,50; maakt een geheel met de f 110,- van f 179,70.

Hieronder niet begrepen de f 2,- van het Graafelijk huis van Bokhoven wegens het jaargetijd met vigilie van den Hooged. Heer Engelbert van lmmerselle; noch datgeene wat de koster heeft voor het luien en begraven van overledenen, zijnde voor een groot lijk f 2,-, terwijl hij van een klein lijk voor 1 uur luien met het kleine klokje en begraven heeft 35 cents of zeven stuivers".

Met eventueel verval bij allerlei kerkelijke diensten, als doopsels, huwelijken, enz. kan zijn jaarlijks inkomen tegen de f 200,- hebben belopen. Als hij dan nog zijn winkel en broodslijterij heeft aangehouden, en daar had hij als regel wel de tijd voor, kon hij waarschijnlijk behoorlijk rondkomen.

Pastoor Van Roosmalen had nog twee authentieke stukken onder de nalatenschap van pastoor Beckers aangetroffen, die in het parochiearchief bewaard zijn gebleven.2 Het eerste stuk draagt als titel: "De baten en inkomsten der R.C.Kosterij van Bokhoven, mitsgaders de lasten en verpligtingen des kosters". Het werd door pastoor Beckers opgemaakt 10 juni 1830, dus kort na bovengenoemde belangrijke overeenkomst tussen het gemeentebestuur en de pastoor. Op diezelfde dag werd Antonius van den Bogaard, na enige tijd waarnemend koster te zijn geweest, officieel tot koster aangesteld. De inhoud is als volgt:

"Eerste hoofdstuk: voordeelen aan de kosterij verbonden". Dit hoofdstuk komt praktisch overeen met het hierboven aan het dagboek van pastoor Beckers ontleende overzicht van inkomsten van de koster sinds de scheiding van kosters- en onderwijzersambt.

"Tweede hoofdstuk: lasten en verpligtingen des kosters.

1o zal de koster zijne woning behoorlijk onderhouden en alle dusdanige herstellingen en reparatiën aan dezelve doen, als zullen noodig geoordeeld worden. Bovendien komt ten zijnen laste de betaling der deuren-vensters-en-haardsteden-gelden of rijksomslag, alsmede van de brandschaden en administratie-gelden, jaarlijks door

 

1) A.P .B., inv.nr. 221, Stukken betreffende de bezittingen en inkomsten van de kosterij en de plichten van de koster.

127

 

de onderlinge Brandwaarborg Maatschappij wordende geheven, zijnde het huis voor eene waarde van f 2.000,- verzekerd. In margine staat hierbij aangetekend: onderlinge Brandwaarborg Maatschappij voor gebouwen te Amsterdam onder directie van Heeren De Jong & Comp. Abusieflijk daargesteld, komende de brandschade etc. ten laste der kerk.

2o is de koster belast met het naauwkeurig waarnemen der volgende functiën in de kerk:

1. zal hij dagelijks bij het openen der kerk een half uur voor de Mis het kleine klokje luiden, tikken op het kwartier als ook even voor de Mis. Doch op zondagen en geboden feestdagen zal hij met de middenklok luiden 1 uur voor l-ste dienst, op de halve uur met de kleine klok en even voor de Mis ten laatsten teken tikken; item voor 1 de Hoogmis een half uur op gezegde dagen zal hij met de middenklok luiden, tikken op het kwartier en als de dienst aanvang neemt:

2. om het volk tot het bidden van het Angelus Domini op te wekken, zal de koster des 's morgens, op den middag en tegen avond dagelijks het kleine klokje luiden en tikken;

3. des zondags, wanneer ten 2 uren namiddag catechismus gehouden wordt, zal hij ten 1 uur de kleine klok luiden, van 1/2 2 tot het kwartier voor 2 uren, wanneer door hem het roozenhoeyke wordt voorgebeden, zal hij de kinderen omtrent de les en andere punten ondervragen; en op het einde des catechismus tegen 3 uren tikken voor het lof;

doch wanneer geen catechismus gehouden wordt, zal hij ten 1 uur met de middenklok luiden en even voor 2 uren om het beginnen van den roozenkrans aan te kondigen, tikken gelijk ook voor het lof;

4. hij zal zorg dragen, dat de kerk en altaren rein en zuiver zijn, dezelve naar den eisch der feestdagen versieren, en voor de Mis telken dage afstoffen en weder bedekken;

5. ten alle tijde zal hij ten dienste zijn van den pastoor zoo met het vervaardigen der noodige ornamenten, aankleden als misdienen enz. en wat in het kerkelijke door den heere pastoor mogt verordend worden;

 

128

6. wekelijks zal de koster tegen avond bij het Angelus het roozenhoeyke aankondigen en hetzelve voorbidden Dinsdags, Donderdags en Zaterdags.

Opdat de koster geene onwetendheid nopens het voorgemelde zou kunnen voorwenden, zal bij zijne aanstelling hiervan voorlezing gedaan en door hem deze regeling onderteekend worden";

Het tweede, op gezegeld papier door pastoor Beckers geschreven document is gedateerd op 12 oktober 1833. Daarin staat vermeld dat de koster, Antonie van den Bogaard, met toestemming van de pastoor een houten, met riet gedekt, schuurtje heeft mogen bouwen op het voorste gedeelte van de moestijn, die bij de kosterswoning hoorde. De pastoor had veel geleerd en liet het niet bij mondelinge goedkeuringen of afspraken. Dit briefje is er een goed voorbeeld van, waarom het hier volledig voIgt:

"De ondergeteekende R.C.pastoor en kanunnik regulier der Abdij van Berne verklaart bij deze

dat de actuele koster der parochiale kerk van Bokhoven, met name Antonie van den Bogaard, met voorkennis en volkomen toestemming in den jare 1832, op het voorste gedeelte van den moestuin aan de kosterswooning gelegen en behoorende, geplaatst heeft zeker schuurtje van planken en met riet gedekt, en dit wel na alvorens in stede van het planken varkenshok twee in steen gemetselde privaten op eigen kosten te hebben daargesteld, zijnde dit laatste derhalve als ware eigendom aan vermelden koster, deszelfs erven en regtverkrijgenden zal vrijstaan het bewuste schuurtje of bergplaats af te breken en weg te ruimen ten hunnen voordeele.

En opdat nimmer omtrent dit stuk eenige twist zoude kunnen reizen, is deze verklaring eigenhandig door den ondergeteekenden pastoor van Bokhoven opgemaakt in duplo, en het eene aan den koster A. van den Bogaard overhandigd en het andere in de archieven der pastorij nedergelegd.

Gedaan te Bokhoven op den twaalfden october 1800 drie en dertig. Jos. Mart. Beckers

can. reg. en pastoor van Bokhoven".

 

129

 

Op 8 mei 1839 is Bokhoven beproefd door een hevige brand, waarin ook de kosterswoning en het schuurtje verloren zijn gegaan. Pastoor Van Roosmalen, die deze brand heeft meegemaakt, heeft er het volgende over opgetekend: "Op de achtste mei des nachts half twalef voor Hemelvaartsdag is er een allerschrikkelijkste brand ontstaan waardoor er vijf huizen en een schuur geheel vernield zijn en de pastorie in het grootste gevaar was, doch door alle zorg en moeite behouden is. Op de pastorie zaten op het dak veertien menschen, die lakens en dekens nat hielden voor den brand. Niet minder was het huis van Arie den Doop en van de kinderen van den Broek in gevaar. De huizen die afgebrand zijn waren de volgende: de kosterie en de schuur behorende aan de kerk, doch de schuur aan de koster bij contract; het huis van de burgemeester Ant. van Eyck; het huis van Henricus Mulders; het huis van de erve Meulensteen. Deze huizen waren alle geassureerd. Het huis van Martinus van Mil. Dit huis was niet gewaarborgt voor den brand. De brand was zoo hevig dat des nachts om een uur den brand gestild was. In deze brand zijn al de argieven van deze gemeente verbrand, zelfs ook de papieren van den Roomsch Katholijken Armen. Deze waren alle in het huis van den burgemeester behalve de oude rekeningen en eenige kleinigheden die op de pastorie berustende waren. Zelfs zijn verbrand de obligatiën van de gemeente en van den Arme".

De brandverzekeringsmaatschappij betaalde aan de kerk ƒ 1.830,- uit voor de afgebrande kosterswoning. Met dat geld kocht de pastoor het huis, dat naast de kerk stond aan de kant van de toren en aan Adrianus van Beurden toebehoorde, voor ƒ 1.623,14 om er de nieuwe kosterswoning van te maken. Het was duur betaald, want het was zo slecht dat het tot de grond toe moest worden afgebroken. Men kon er slechts enige duizenden stenen en wat zwaar hout van gebruiken. Het opbouwen van de nieuwe kosterswoning met oud en nieuw materiaal kwam op ƒ1.000,-.4

Op de plaats van de oude kosterswoning "eertijds een der schoon-

 

 

3) A.P.B., inv.nr. 472, blz. 20, Dagboek van de pastoors Beckers en Van Roosmalen.

4) idem, blz. 20-21.

 

130

ste huizen van Bokhoven" liet het kerkbestuur een eenvoudige arbeiderswoning zetten, om daardoor te voorkomen dat het schoollokaal daarin zou terugkeren. Pastoor Van Roosmalen liet dit nieuwe huis voor achthonderd gulden tegen brand verzekeren, en de nieuwe kosterswoning naast de kerk voor drie duizend gulden.

Antonius van den Bogaard is lang koster geweest en heeft heel wat meegemaakt.

Op 20 juli 1817 was hij in het huwelijk getreden met Henrica van Balkom.5 Zij kregen vijf kinderen, drie meisjes: Joanna, Elisabeth en Mechelina, en twee jongens, die allebei de naam van hun grootvader Henricus kregen, maar op jeugdige leeftijd zijn gestorven. De eerste werd nog geen maand oud en de tweede stierf op de leeftijd van twee en een half jaar. Ook de middelste dochter haalde maar de leeftijd van ruim veertien jaar. De koster verloor zijn vrouw op 14 november 1863. De enige zuster van Antonius, Christina, was een huwelijk aangegaan met Adrianus Michaelis van den Oever.

We komen Antonius van den Bogaard weer dikwijls tegen als getuige bij huwelijken. Ofschoon er in de jaren 1830, 1831, 1833, 1841, 1854, 1860, 1866 en 1873 geen huwelijken in Bokhoven werden gesloten, komt zijn naam toch nog 82 maal in de huwelijksregisters voor. Op 18 april 1875 was hij voor de laatste keer getuige bij een huwelijk. Tijdens zijn opvolger was hij nog eenmaal getuige bij een huwelijk op 3 februari 1883.

Als waarnemend koster heeft Antonius van den Bogaard zijn medewerking verleend bij de begrafenis van pastoor Wilhelmus Ignatius de Bruyn, die op 17 september 1828 na een korte ziekte was gestorven. De begrafenis geschiedde twee dagen later door de prior van de Abdij F. A. Beels. Lambertus Theonville werd tijdelijk deservitor van Bokhoven, totdat de benoeming van de nieuwe pastoor Jos. Mart. Beckers op 29 september 1828 tevens een nieuw tijdperk in de geschiedenis van de parochie inleidde.

Behalve de reeds gemelde brand heeft koster Antonius ook een ernstige overstroming meegemaakt. Pastoor Beckers heeft er in zijn

 

5) A.P.B., inv.nr. 69, Register waarin huwelijken, 1768-1920, staan ingeschreven.

 

 131

 

dagboek het volgende van opgeschreven: "In de laatste dagen van november (1833) begon de wind uit het westen bij storm te waaijen waardoor gelijk ook om de veelvuldige regen het water zich verhief, zoodanig dat tegen Kerstmis bijna het geheele dorp geïnundeerd werd en eenige dagen later tot die hoogte opklom, van welke bij eene opene rivier geen voorbeeld gezien was. Met uitzondering der pastorie en 3 andere huizen waren alle woningen onder water. Elf huisgezinnen moesten zich bij andere hooger gelegen begeven, terwijl andere op horden zich opschoorden. Op den 31 december des nachts verhief zich de storm die aan eene orkaan geleek, waardoor 3 huisjes omvergeworpen werden, terwijl andere aanmerkelijk beschadigd werden als het huis van H. Verkampen, van de kinderen J. Meulensteen, F. van den Oever en J. Roskamp. Gelukkig kwam er geen mensch of vee om". De pastoor en ook de koster zullen met Kerstmis wel andere zorgen gehad hebben dan het verzorgen van de kerstplechtigheden in de kerk.

De opvolger van pastoor Beckers, J. Klijn, is slechts kort in functie geweest. Hij stierf na negen maanden narigheid ondervonden te hebben op 11 juli 1835. Pastoor van Roosmalen, die als opvolger zijn benoeming kreeg op 10 augustus 1835, heeft een aantekening nagelaten, die iets laat blijken van wat een pastoor in die dagen te lijden kon hebben. Hij had van zijn intrede in Bokhoven zo weinig mogelijk drukte gemaakt op raad van "Zijn Hoogwaardig Heer de vicarius H. den Dubbelden". Deze had hem op het hart gedrukt "toch met alle omzichtigheid en goedertierenheid deze parochie te bedienen, dewijl het zeer halstarrig en oplopend is en eene aaneenschakeling van murmuratie tegen de pastoors gehad heeft, hetgeen genoegzaam altijd gebleken heeft, maar bijzonder onder den Weleerw, Heer Pastoor J. Klijn, die bijna van het geheel kwalijk bezegend werd".6

Een van de eerste werkzaamheden van pastoor van Roosmalen, waarmee de koster het nodige extra werk te verzetten kreeg, was de restauratie van de kerk. Hoe ingrijpend dit werk was, blijkt wel uit

 

6) A.P.B., inv.nr. 472, blz. 15, Dagboek van de pastoors Beckers en Van Roosmalen.

 

132

wat hij in slecht Nederlands daarover heeft genoteerd: "Tegen de maand september (1835) heb ik de kerk, die zeer bouwvallig was, in hare bogen beginnen te herstellen en dezelve van binnen geheel te vernieuwen. Een stuk muur dat het choor van het schip van de kerk afzonderde, waarin twee kleine boogjes en een groote boog verbeelden waren, uitgebroken en eene groote boog tot aan het plavon, die uit de hand geslagen is, doen plaatsen; dezelve met de zijkapeltjes door lange ijzeren ankers doen verbinden; verder twee bogen doen maken voor de kruisen of kapeltjes; verder de predikstoel verplaats en de kerk doen ophogen".7

Bij die gelegenheid is de graftombe van Baron Jan van der Aa en zijn echtgenote Elisabeth van Egmond, die midden in de kerk stond, door neervallend puin verwoest. Deze pastoor heeft ook "de ramen die bezijde de groote altaar geplaatst waren, om het overtollig licht gedeeltelijk toegemaakt en met half rand ijzeren ramen bezet; het hoog altaar omhoog gezet, tusschen het altaar en de communiebank een planke vloer gelegd; de muren doen afbikken en opnieuw bezet en eenen nieuwe kroonlijst doen maken en het plavon doen afhalen. Na dit alles zijn de acht nieuwe beelden met zes nieuwe kopere armen voor de beelden in de kerk geplaats. Dit heeft de kerk ver over de twaalf honderd gulden gekost".8

Vanaf 8 juni 1837 kreeg de koster de zorg voor het onderhoud van een nieuwe doopvont. De oude was hinderlijk groot en ver versleten. In datzelfde jaar, in de maand september, is er van het luiden der twee klokken in de toren niets gekomen. De torenspits met de klokkestoel werden toen met subsidie van het rijk en de gemeente geheel vernieuwd. De rijkssubsidie ging terug op een koninklijk besluit van 4 maart 1836 en bedroeg f 1.500,-, terwijl de gemeente een bijdrage van f 500,- had toegezegd. Het werk werd uitgevoerd door Martinus van der Linden uit 's-Hertogenbosch, die van de twaalf inschrijvingen verreweg het laagst had ingeschreven, namelijk voor f 1.796,-. Voor de nieuwe klokkenstoel werd bovendien

 

 

7) idem, blz. 15.

8) idem, blz.16.

 

133

 

f 200,- gerekend. Alles bijeen kwam de uitgaaf op f 2.067,35. Het hele dossier betreffende de bekostiging en aanbesteding van deze restauratie is in het parochiearchief bewaard gebleven.9

Koster A. van den Bogaard was natuurlijk sterk betrokken bij de begrafenis van de slachtoffers van de ramp op 17 november 1837, toen de marktschuit in de Dieze omsloeg en 15 personen uit Bokhoven verdronken.l0 De lijken werden 's middags om ongeveer vijf uur onder het luiden der klokken op vijf karren binnen Bokhoven gebracht. Op 15 verschillende plaatsen in het kleine dorpje werd een lijk thuis gebracht. De ramp trok sterk de aandacht in het land. Er verscheen een boekje over de ramp, geschreven door M. L. Tiele bij D. A. A. de Rooij, boek- en courantdrukker te 's-Hertogenbosch. Op de voorpagina staan de woorden: "De voordeelen hieruit spruitende zijn ten behoeve van de Nagelatene Betrekkingen der in de Ramp omgekomenen, en zullen ter dispositie van het Gemeentebestuur van Bokhoven worden gesteld". 

De koster kreeg heel wat lijkdiensten te verzorgen. "Men heeft", zo heeft pastoor Van Roosmalen opgetekend, "voor dezelve (de slachtoffers) gratis eene algemeene lijkdienst gedaan, en daar de naastbestaande met dezelve niet tevrede waren, maar wilden dat voor elk van hun eene afzonderlijke lijkdienst zoude geschieden, zoo heeft hetzelve plaats gelijk zij bestelde, en deze diensten, licht, enz. is betaald uit de gelden die van landswegen hun werden toegezonden. Ook heeft er een algemeen collecte plaats gehad door deze provincie en heeft met andere liefdegiften bedragen omtrent twee duizend gulden. Van deze gelden is het . . . steene (graf)kruis; een ijzeren bus betaald, die in traptoorntje geplaats is (om geld te verzamelen voor H. Missen voor de gestorvenen). Van de bovenstaande gelden hebben alle huisgezinnen van die ongelukkigen genoten, behalve Jan van Mil, die hieraan zich ontzegt heeft, en Robertus Dekkers, die slechts de gelden genoten heeft voor de uitvaart, doch hiervan deze

 

 

9) A.P .B., inv nr 187, Dossier betreffende de bekostiging en aanbesteding van de restauratie van de kerktoren, 1833-1838

10) Breugelmans, H.P., Rouwtafereel, in M.G Tr., jrg. 3 (1953), blz. 99-102,118-123, 129-130.

 

134

gelden heeft een groot gedeelte van Bokhoven getrokken, voornamentlijk die groot gebrek hadden. Vervolgens kan men zeggen het geheele dorp. Dit haal ik hier aan opdat mijne opvolgers de gemeentenaren zoude kunnen aanzetten van die ongelukkigen gedachtig te zijn van iets bij te dragen in die ijzeren bus die in het bovengemelde toorntje geplaats is opdat jaarlijks op den 17 november het algemeene jaargetijd voor hun alle zoude geschieden. Voor dat jaargetijd heeft de pastoor twee gulden en de koster 10 stuivers. De namen worden op dien dag en zondags te voren afgelezen".11

In 1839 heeft pastoor Van Roosmalen de jaarlijkse grote openbare processies in ere hersteld. Hij liet speciale kleding maken voor de jongens en meisjes die met de processie meetrokken, en op andere wijzen de onderdelen van de processie mooier maken. Van de vier vroegere grote processies bleef alleen die van Sacramentsdag behouden. De drie andere werden in kleine veranderd. Maar hij voerde nieuwe grote processies in, een op de feestdag van de H. Cornelius (16 september) en een op de eerste woensdag van de maand mei. Door de tussenkomst van pater Mathias Wolff S.J. had hij, bij heel zijn onderneming gesteund door de abt van de Abdij van Berne, N. van den Braak, relikwieën ontvangen van de H. Cornelius, paus en martelaar, en op 4 augustus 1839 van paus Gregorius XVI verkregen, dat de gelovigen die de H. Cornelius in Bokhoven kwamen vereren, op nader bepaalde dagen volle aflaten konden verdienen. Vanaf die tijd is Bokhoven een druk bezochte bedevaartsplaats geworden. Het gaf aan de koster-organist wel meet werk, maar ook meer inkomsten. Voor de H. Missen op de feestdag van de H. Cornelius en op de eerste woensdag in mei ontving de koster telkens 10 asses of stuivers. Ook op iedere eerste woensdag van de maand werd er voortaan een H. Mis opgedragen ter ere van die heilige op verzoek van de in Drunen gevormde broederschap, waar de devotie tot de H. Cornelius erg groot was. Dit leverde de koster telkens vijf stuivers op. Uit die tijd stammen ook de broedermeesters, die bij de processies

 

11) A.P.B., inv.nr. 472, blz. 18-19, Dagboek van de pastoors Beckers en Van Roosmalen.

135

 

de orde handhaafden en als onderscheidingstekens zilveren schildjes op lange stollen in de hand hielden.12

In 1840 heeft koster A. van den Bogaard met zijn gezin intrek kunnen nemen in het nieuwe huis naast de kerkingang, dat hij evenwel moest delen (het was een soort dubbele woning met twee toegangsdeuren) met de moeder, een broer en een zuster van pastoor Van Roosmalen.13

In datzelfde jaar werd het kerkhof, dat te voren geheel open lag, met latwerk van alle kanten dichtgemaakt. De koster kreeg de sleutels van het kerkhof in bewaring. Pastoor van Roosmalen heeft in zijn dagboek hieraan toegevoegd: "met last van dezelve niet af te geven zonder mijne voorkennis, om alzoo te doen zien, dat het kerkhof een eigendom is van de kerk en niet van de gemeente, en dat slechts het kerkbestuur daar orders te geven heeft en niet het gemeentebestuur of het gouvernement".14

Koster Antonius van den Bogaard heeft heel wat verbeteringen, verfraaiingen en restauraties in en aan de kerk meegemaakt. In zijn tijd zijn de meeste van de nog aanwezige houten beelden en o.a. ook de kruiswegstaties aangekocht.15 In 1850 is er aan de zogenaamde Graafse kapel gewerkt en werd de graftombe door L. Looth, steenhouwer uit 's-Hertogenbosch, van de westwand verwijderd, een kwart slag gedraaid en midden in de kapel geplaatst.16

In 1869 maakte hij de installatie mee van pastoor Laurentius van Uden, de vierde pastoor waaronder hij als koster heeft gediend. Toen deze nieuwe pastoor in Bokhoven was aangekomen en de zaken in kerk en sacristie ging controleren, trof hij het batig saldo van de in- en uitgaven van de kerk, een bedrag van f 1.336,82, aan in een kist in de sacristie. In die tijd werd alles wat de kerkadministratie aanging

 

12) idem, blz. 21-25;

BreedveId, Walter, Bokhoven en de verering van den H. Cornelius Paus en Martelaar, Utrecht 1939.

13) A.P.B., inv.nr. 472, bIz. 26, Dagboek van de pastoors Beckers en Van Roosmalen.

 14) idem, blz. 28.

15) A.P.B., inv.nr. 355, Kerkrekening 1852;

Velden, G. van der, Bossche beeldhouwers, in M.G.Tr., jrg. 21 (1971), blz. 3-5.

16) A.P.B., inv.nr. 355, Kerkrekening 1850.

 

136

en ook het geld nog steeds bewaard in de kerk achter het altaar of in de sacristie.

Ook pastoor Van Uden zag zich al spoedig verplicht onderhoudswerkzaamheden aan de kerk van binnen en van buiten te laten verrichten. Vooral in 1873 is men in de maanden mei, juni en juli voortdurend bezig geweest. Toen was de koster 80 jaar oud. Op 82 jarige leeftijd, dus in 1875, heeft hij ontslag gekregen. Hij werd op 1 september opgevolgd door Leendert (Leonardus) van Cromvoirt als waarnemend koster. Op 22 september 1875 heeft A. van den Bogaard voor de laatste maal zijn traktement als koster-organist uit de kerkekas ontvangen.17 Als oudkoster blijft hij jaarlijks in vier termijnen de f 100,- ontvangen die de kerk van de gemeente ontving voor het vruchtgebruik van de kosterijlanderijen. Dit duurde zo tot 16 juni 1882, het jaar waarin hij is gestorven.

 

§ 2. De koster krijgt een organist naast zich

 

Met koster Van den Bogaard was de scheiding van kostersambt en onderwijzersfunctie in Bokhoven ingegaan. Na zijn dood gaat de opsplitsing van taken voort en komt er naast een koster een afzonderlijke organist. Die koster is Leonardus van Cromvoirt en de organist is Cornelius van Mil. Dit bracht wel problemen mee voor de salariëring van beiden. Het sinds lang gebruikelijke traktement uit de kerkekas van f 68,45 voor de koster-organist gaat nu uitsluitend naar de organist. De koster krijgt, naast de f 100,- uit de kas van de gemeente, van de kant van de kerk uitbetalingen "voor verrichte werkzaamheden", zoals het in de dagjournalen van inkomsten en uitgaven heet.

In de huwelijksregisters over de jaren 1893 en 1894 18 staat tot tweemaal toe achter de naam van Leonardus van Cromvoirt uitdrukkelijk toegevoegd "sacrista". Dan is pastoor Van Uden al sinds drie jaar opgevolgd door pastoor Adrianus Thomas Barnabas van Heijst.

 

17) A.P.B., inv.nr. 270, Journalen van de inkomsten en uitgaven van de kerk.

18) A.P.B., inv.nr. 69, Register waarin huwelijken, 1768-1920, staan ingeschreven.

 

 

137

 

Pastoor Van Uden was gestorven in de nacht van 16 op 17 mei 1890. Het wonderlijke is, dat de koster van Ammerzoden er aan te pas is moeten komen voor de rouwversiering bij de uitvaart van deze pastoor. Hij kreeg daarvoor volgens het dagregister over het dienstjaar 1890 f 3,50.19

Pastoor Van Heijst trof in Bokhoven naast Leonardus van Cromvoirt de reeds eerder in functie zijnde Cornelius van Mil als organist aan. In het dodenregister over de jaren 1768 tot en met 192020 lezen we, dat Cornelius van Mil, geboren 3 januari 1832, gestorven is op 25 juni 1906. Er staat bij genoteerd: "erat olim organista et commissarius processionis St. Cornelii" (hij was eertijds organist en broedermeester van de processie van de H. Cornelius). Cornelius van Mil had zijn taak als organist namelijk reeds begin 1905 beëindigd. Op 20 januari 1906 werd hem f 50,- uitbetaald als "pensioen aan den oud organist". Ook op 2 augustus van datzelfde jaar ontving hij nog eenmaal f 50,-. Dit zal ten goede gekomen zijn aan zijn erfgenamen, want hij was twee maanden tevoren reeds gestorven.

Als organist had ook hij meegemaakt dat er wederom eind 1899 en nieuw orgel in de kerk werd geplaatst. Deze keer werd dit werk uitgevoerd door de gebr. Gradussen voor de prijs van f 550,-. Twee jaar later kwam er ook een nieuw torenuurwerk uit Asten van de firma B. Eysbouts. Dit kostte f 510,-.21

De in 1906 gestorven organist Cornelius van Mil werd opgevolgd door zijn zoon Josephus van Mil. Deze was 23 april 1902 op 26 jarige leeftijd in het huwelijk getreden met Joanna Francisca Lammers.22 Als organist ontving hij jaarlijks van de kerk f 72,45.23

In 1918, aan het einde van de Eerste Wereldoorlog, heeft Leonardus van Cromvoirt zijn ontslag gekregen als koster van Bokhoven. Hij was toen 78 jaar oud. In de jaren 1919, 1920 en 1921 kreeg hij

 

19) A.P.B., inv.nr. 270, Journalen van de inkomsten en uitgaven van de kerk.

20) A.P.B., inv.nr. 71, Register waarin overledenen en gevormden staan ingeschreven.

21) A.P.B., inv.nr. 270, Journalen van de inkomsten en uitgaven van de kerk.

22) Velden, G. van der, Genealogie van de familie van Mil te Bokhoven, in M.G.Tr., jrg. 18 (1968), bIz. 125.

23) A.P.B., inv.nr. 270, Journalen van de inkomsten en uitgaven van de kerk

 

138

telkens in de maand januari op titel van "emeritus koster" de f l00.-, die de kerk van de gemeente ontving, als pensioen. Op 17 juli 1921, de dag van zijn begrafenis, volgde er nog een kleine nabetaling van f 29,-.

Na het ontslag van Leonardus van Cromvoirt, een vrijgezel, is de zoon van Josephus (Sjef) van Mil, Karel, die toen pas 14 jaar oud was, als een soort leerlingkoster in de kerk gaan helpen. Vanaf 1918 trad hij in de traditie van de voorafgaande kosters en was hij getuige bij twee huwelijken in 1918 en twee huwelijken in 1919. In 1920 werd geen enkel huwelijk gesloten.

Met Karel van Mil zijn we bij de laatste koster van Bokhoven beland. Na de Eerste Wereldoorlog waren er allerlei nieuwe sociale wetten gekomen, die ook op kosters en organisten van toepassing waren. Zo lezen we onder de kerkuitgaven vanaf 1919 dat er sprake was van een invaliditeitswet en dat er geplakt werd voor ouderdomsrente. Men sprak van rentezegels. En ook de Raad van Arbeid werd van toen af in de rekeningen genoemd.

Omdat het leven heel wat duurder was geworden, moesten de salarissen worden opgetrokken. En dat was voor de kerk een heel probleem, want de inkomsten stegen niet evenredig. In 1925 kreeg de organist een extra toelage van f 50,-. Die toelage werd later nader gemotiveerd door er aan toe te voegen "als directeur en instructeur".

Pastoor Godefridus H. J. van den Acker, de opvolger van pastoor van Heijst, vond nog een andere mogelijkheid om het inkomen van koster en organist wat te verbeteren. De Broederschap van de H. Cornelius, die over eigen financiën beschikte, kon zich verschillende uitgaven permitteren. Zo werd voortaan jaarlijks aan de koster een toelage van f 100,- uit de kas van de Broederschap gegeven en nog een gift van f 15,- "voor gemis offer wijwater" zoals in het kasboek van de Broederschap over de jaren 1905-1925 staat.24 In de jaren 1922 en 1923 werd er nogmaals bovendien in december aan de koster f 12,- en aan de hulpkoster f 6,- uitbetaald uit diezelfde kas.

 

24) A.P.B., inv.nr. 457, Kasboek van de inkomsten en uitgaven, 1905-1925.

 

 

 

 

 

 

139

 

De vele taken die de koster vroeger allemaal als behorend tot zijn taak had te vervullen zijn meer en meer aan anderen toevertrouwd. De een wordt uitbetaald voor het vegen van de kerk, een ander voor het in orde houden van het kerkhof. Ook voor het plaatsen van de kerststal stond een vaste vergoeding.

In de periode van 1924 tot 1933 was Hubertus Gerardus Scheepers pastoor van Bokhoven. Hij heeft een fanfare opgericht ten dienste van de Broederschap van de H. Cornelius op 3 november 1925.25

Onder zijn pastoraat is ook een einde gekomen aan Bokhoven als heerlijkheid. In 1928 werden de heerlijkheidsbezittingen "Het landgoed Bokhoven" door notaris Fock te Vught in het Casino te 's-Hertogenbosch op 4 en 18 januari in veiling gebracht. Zoals uit de akten van deze veiling blijkt geschiedde deze verkoop in opdracht van "de Hooggeboren Vrouwe de Gravin de la Forest Divonne, geboren Charlotte Félicité Ghislaine Gaudérique Marie Philomène de Levis Mirepoix, grondeigenares, echtgenoote van den Hooggeboren Heer Joseph François Marie Jules, Graaf de la Forest Divonne, lieutenant de vaisseau, door wien zij werd bijgestaan en gemachtigd, beiden wonende te Hyères (Var, Frankrijk) en thans verblijvende te Cherbourg". Er stonden nog oude schulden aan de kerk te betalen en er waren allerlei lasten die van ouds op de heerlijkheid ten gunste van de kerk, van de armen en van de kosterij rustten. De toenmalige archivaris van de Abdij van Berne te Heeswijk, Dr. Hugo Heijman, heeft dit in de parochiearchieven nagezocht. Al deze schulden en lasten werden vereffend en afgekocht. Op 22 september 1928 kreeg de kerk f 700,- overgemaakt. Daarmee kwamen ook enkele zeer bescheiden inkomsten van de koster, die steeds rechtstreeks door de rentmeester van de graaf aan hem waren overgemaakt, te vervallen. Van de bezittingen en andere vaste inkomsten uit cijnzen bleef er voor de kosterij niet veel over. Alle cijnzen zijn stuk voor stuk afgekocht. De vergoeding voor het vruchtgebruik van de kosterijlande-

 

25) A.P.B., inv.nr. 459, Statuten en huishaudelijk reglement 'Van de Kerkelijke fanfare St. Cornelius, 1925.

 

140

 

rijen bleef steeds op f 100,- per jaar staan en werd nooit aangepast aan de veranderde tijdsomstandigheden.

 

§ 3. De band tussen kerk en school wordt op een nieuwe wijze hersteld

 

De band tussen kerk en school was nooit helemaal verbroken geweest. Dit mag o.a. worden afgeleid uit het volgende briefje, dat bewaard is gebleven en eigenhandig door het eerste hoofd van de openbare school was geschreven. Het was een antwoord op een gedrukt formulier, dat de pastoor had gericht tot "Den Heer Schoolonderwijzer te...". "Naar aanleiding van Art. 10 des Koninklijken Besluits van 2 Januarij dezes jaars (1842), nopens het lager onderwijs, neem ik bij deze de vrijheid Uwed. vriendelijk te verzoeken, wel de goedheid te willen hebben, van mij opgave te doen van alle Boeken, Gezangen en Schriften, waarvan Uwed. bij het onderrigt in uwe School gebruik maakt: zullende het mij aangenaam zijn, aangaande de boeken opgave te ontvangen van den titel, van den naam des schrijvers, als ook bij wien, waar en wanneer dezelfde gedrukt zijn". Op 21 september 1842 schreef H. Besters het volgende antwoord: "Wel-Eerwaardig Heer!

In antwoord op U.W.E.missive van den 19-e dezer en ter voldoening aan art. 10 des Kon. Besl. van 2-e Januarij 1842, no 61, (Staatsblad no 1), heb ik de eer U.W.E. de volgende opgaven toe te zenden:

Laagste Klasse.

1° en 2° stukje van het leesboekje voor eerstbeginnenden, door N. Anslijn N.Z., behoorende bij de handleiding om den kinderen het lezen te leeren. Te Leijden, bij D. du Mortier en Zoon 1841 en 1827.

2° en 3° stukje van het nieuw spel- of leesboekje, dienende, om de kinderen reeds bij de eerste beginselen, ook in het lezen te oefenen, ten gebruike der scholen. Schrijver en uitgevers als voren. 1839 en 1841. En De brave Hendrik en De brave Maria. Schrijver en uitgevers als voren.

 

 

 

141

 

 

Middelste klasse.

Raadgevingen en onderrigtingen voor kinderen, bevattende 5 stukjes of onderscheidene leesboeken. Schrijver en uitgevers als voren. Het 1°,2° en 4° stukje in 1840, het 3° in 1839 en het 5° in 1838.

1° en 2° stukje van Moeder Anna en hare kindertjes, een schoolboekje, door M. van Heijningen Bosch. Te Groningen, bij J. Oomkens. 1840.

Hoogste Klasse.

1° en 2° deeltje van de honderdtal leerzame verhalen, voor kinderen. Door den schrijver van den Kerstavond. Te Amsterdam, bij ten Brink & de Vries. 1835 en 1837.

Bijbelsche Verhalen of Geschiedenis in beknopte verhalen voor de Jeugd.

1° stukje. Gesch. van het Oude testament. Idem 2° stukje. Geschiedenis van het Nieuwe Testament. Te 's-Bosch, bij J. J. Arkesteijn en Zoon. 1836.

Merkwaardige voorvallen uit de algemeene geschiedenis, tot op onzen tijd. Door G. G. Bredero. Te Zutphen, bij H. C. A. Thieme. 1825.

1° en 2° stukje van het leesboek tot oefening in het kunstmatig lezen. Door N. Anslijn, N. Z. te Leijden, bij D. du Mortier en Zoon. 1836 en 1839.

Gezangen.

Schriften. Voorschriften, ter oefening in het kunstmatig schrijven, ten gebruike der scholen. Uitgegeven door de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen. Bij het onderwijs in de Nederduitsche taal zijn de volgende werkjes in gebruik:

Aanleiding tot de Nederduitsche spraakkunst en Nederduitsche spraakk, beiden voor Eerstbeg. Door N. Anslijn N.Z. Te Leijden, bij D. du Mortier en Zoon. 1829 en 1820. En

Eerste onderwijs in de Gronden der Nederl. taal, door J. Puikers. Te Rotterdam, bij F. J. Wijnhoven Hendriksen.

Voor het rekenen, worden gebezigd: Koopmansrekeningen van Adam van Lintz, veranderd door H. G. Witlage. 1° deel. Idem 2° deel.

 

142

En idem 3° deel. Te Amsterdam, bij Johannes van der Heij en Zoon. Uitgegeven in 1838, en

Rekenboek voor de scholen, in het Koningrijk der Nederlanden. Door W. van den Hoonaard. 2° stukje. Uitgegeven als voren.

Voor de Aardrijkskunde: Allereerste beginselen der Aardrijkskunde, voor de scholen, door H.C.S. Uitgegeven door J. van Wijk Roelandsz. Te Haarlem, bij François Bohn. 1818".26

Onder pastoor Scheepers kwam er een nieuwe mogelijkheid om de band tussen kerk en school te herstellen.

Tijdens het eerste kabinet Ruys de Beerenbrouck van 1918 tot 1922 was J. Th. de Visser minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, een nieuw departement dat hij organiseerde. Hij heeft het compromis van 1917 uitgevoerd in zijn wet op het lager onderwijs van 1920, die tot in bijzonderheden de toepassing van de financiële gelijkstelling regelde.27 Alle kosten van een bijzondere school - de stichtingskosten, de personele kosten, de exploitatiekosten, de kosten in verband met uitbreiding, enz. - worden voor 100% door de overheid gesubsidieerd en iedere school komt praktisch automatisch voor deze subsidie in aanmerking, indien: de stichter een wettelijk erkende rechtspersoon is, aangetoond kan worden dat de school bezocht zal worden door het wettelijk vastgestelde minimum aantal leerlingen,

er een waarborgsom van 15% der stichtingskosten kan worden overgelegd, die overigens na 20 jaar wordt terugbetaald aan het bestuur van de school.28

Omdat een kerkbestuur een wettelijk erkende rechtspersoon is, kon men er ook in Bokhoven toe overgaan de bestaande school om te zetten in een R.K. bijzondere school. Pastoor Scheepers, die in 1924 zijn pastoraat begon, heeft deze omzetting ter hand genomen. Iedere pastoor meende in die tijd verplicht te zijn de zaak van de katholieke

26) A.P.B., inv.nr. 197, Opgave van schoolmeester Besters van de door hem bij het onderwijs gebruikte leermiddelen, 1842.

27) Katholieke Encyclopaedie voor opvoeding en onderwijs, dl. 3, Den Haag 1954, blz. 743.

28) Heidt, A. M., Catholica, dl. 2, Hilversum 1968, blz. 2099

.

143

 

Kerk in Nederland te steunen en de geboden mogelijkheden voor het katholieke onderwijs aan te grijpen.

De aanvrage voor de stichting van een rooms-katholieke bijzondere school geschiedde op 1 oktober 1929. De raad der gemeente Engelen reageerde hierop in zijn openbare vergadering van 25 november 1929 aldus:... "overwegende dat voor het beoogde doel de te Bokhoven nieuw gebouwde openbare lagere school kan worden beschikbaargesteld . . . besluit . . . het nieuwe schoolgebouw met speelplaats, kadastraal bekend in sectie A nrs. 280 en 465 (gedeeltelijk), voor het beoogde doel voor adressant beschikbaar te stellen".

Deze beslissing werd goedgekeurd bij besluit van Ged. Staten van Noord-Brabant d.d. 11 december 1929. Een jaar later had op 20 december 1930 de overdracht plaats van de school met speelplaats en ondergrond "ter grootte van te zamen ongeveer twee honderd zestig vierkante Meter" "aan de parochie van den Heiligen Antonius Abt te Bokhoven, gemeente Engelen, vertegenwoordigd door het kerkbestuur dier parochie: 1. den zeer Eerwaarden Heer Gerardus Carolus Johannes Scheepers, Roomsch-Katholiek Priester en Pastoor, wonende te Bokhoven gemeente Engelen en 2. den Heer Lambertus Hendrikus Vugts, landbouwer wonende aldaar, respectievelijk in hunne hoedanigheid van Voorzitter en Secretaris van het Kerkbestuur dier Parochie en als zoodanig die parochie vertegenwoordigende" plaats. In de notariële akte staat o.a. vermeld: "Onder de voorgeschreven bedingen is voormeld onroerend goed door de gemeente Engelen in eigendom afgestaan en overgedragen aan de parochie van den Heiligen Antonius Abt, voornoemd, die bij deze is gesteld in alle rechten die de gemeente Engelen voor heden er op had met toestemming dat de parochie van den Heiligen Antonius Abt, voornoemd, doe geschieden de overschrijving dezer akte bedoeld bij artikel 671 van het Burgerlijk Wetboek... Waarvan Akte. Gedaan en verleden te 's-Hertogenbosch ten kantore van den notaris Rits voornoemd... Geregistreerd te 's-Hertogenbosch, den twee en twintigsten December 1900 en dertig, deel 3, folio 198 No. 3839... Overgeschreven ten kantore der Hypotheken te 's-Hertogenbosch

 

144

den drie en twintigsten December 1900 dertig deel 2041 nummer 115".

Op 9 januari 1935 volgt er een correctie op deze akte waarbij notaris Rits verklaart "dat volgens aanwijzing bij de meting tevens zou zijn verkocht een gedeelte van het perceel: Gemeente Bokhoven Sectie A 480; welke drie gedeelten van voormelde perceelen Sectie A 465 - 280 en 480, thans deel uitmaken van het nieuwe nummer A 549; dat dus gemeld gedeelte van A 480 mede had moeten zijn overgedragen, voor zoover dit thans behoort tot het nieuwe perceel A 549; welke fout hij bij deze herstelt".

De rooms-katholieke bijzondere school van Bokhoven heeft de volgende hoofden gekend. Adrianus Zeeuwen heeft de omzetting van de openbare school in een bijzondere meegemaakt. Hij is als hoofd werkzaam gebleven tot 20 november 1936. Zijn ontslag ging in op 1 mei 1937. Met ingang van 1 juli 1937 werd hij opgevolgd door Adrianus Petrus Gerardus Maria Kerstens. Hij was geboortig van Rukfen (N.Br.), maar woonde te Erp toen hij zijn benoeming tot hoofd van de school te Bokhoven ontving. Hij nam zijn ontslag met ingang van 1 maart 1941 om hoofd te worden van de school te Achterveld. Op diezelfde datum ging de benoeming in van Wilhelmus Hubertus van Dommelen, geboortig uit Maashees. Zijn vorige standplaats was Berlicum geweest. Meester Van Dommelen werd in 1960 opgevolgd door Johannes Paymans, die op zijn beurt als opvolger kreeg in 1971 Jos Walta, geboortig uit Zutphen.29

De laatste koster van Bokhoven, Karel van Mil, heeft zijn zilveren ambtsjubileum als koster gevierd in 1943. Op 1 april 1918 had Leonardus van Cromvoirt als koster bedankt. Hij was toen 43 jaar koster geweest. Drie jaar later op 10 juli 1921 is hij op 81 jarige leeftijd gestorven. De kosters werden oud in Bokhoven. Zijn voorganger Antonius van den Boogaard was 48 jaar koster geweest en stierf op 89 jarige leeftijd in 1832. Cornelius van Mil, de grootvader van Karel van Mil, die organist was naast Leonard van Cromvoirt,

 

29) A.P.B., inv.nr. 198, Stukken betreffende de in 1929 door het kerkbestuur opgerichte lagere school, 1929-1943.

 

145

 

bleef tot zijn dood op 25 juni 1906 in functie. Toen werd de vader van Karel van Mil organist en bleef die taak vervullen van 1906 tot 1923. Vanaf dit jaar verenigde Karel van Mil wederom het kostersambt met dat van organist. Met Pasen 1923 begeleidde hij voor de eerste keer met succes een meerstemmige mis. Josephus van Mil is te Vlijmen tijdens de evacuatie gestorven en werd daar ook begraven.

Evenals zijn voorgangers is ook Karel van Mil vaak moeten optreden als getuige bij huwelijken. Maar dit gebruik raakt meer en meer in onbruik. Op 13 mei 1933 is hij voor de laatste keer als koster getuige. Ook het nemen van de koster als peter bij doopsels loopt ten einde. Dit geschiedde de laatste keer op 22 februari 1936. Wel is hij daarna nog viermaal peter bij doopsels van kinderen uit zijn eigen familie. De laatste keer op 17 februari 1949.

In het jaar na zijn zilveren jubileum heeft Karel van Mil al de ellende meegemaakt van de oorlog en de verwoesting van Bokhoven met de evacuatie, en de daarop volgende problemen met de telkens wisselende plaatsen waar de kerkelijke diensten plaats hadden.30

Karel van Mil is vrij plotseling gestorven op 7 februari 1952 in het Groot Ziekengasthuis te 's-Hertogenbosch. Daarmee kwam er een eind aan de geschiedenis van de kosters van Bokhoven. Gesalarieerde kosters en organisten in vaste dienst heeft Bokhoven niet meer gekend.

Al wat er van de Kosterij of Kleine Dienst nog over was waren enkele stukken land, die in vruchtgebruik waren bij de gemeente Engelen en waarvan de kerk slechts de blote eigendom had, en een lapje grand met huis. Ook dit huis, waarvan de familie van Zon de laatste bewoonster was, en dat evenals de meeste andere huizen door het oorlogsgeweld in een puinhoop veranderde, is voorgoed verdwenen.

 

30) A.P.B., inv.nr. 191, Stukken betreffende de onder de Duitse bezetting meegenomen kerkklokken;

Velden, G. van der, Het kerkelijk !even te Bokhoven van eind 1944 tot september1950, in M.G.Tr., jrg. 23 (1973), blz. 159-162.

 

146

 

 

[For a summary in English of the Creed according to the same author, please refer to: The Creed of a Village Pastor]