Velden, G. M. van der, Nieuwe gegevens over het voormalige
kasteel van Bokhoven. M.G. Trou
1988, blz. 29-31
In de
zomer van het jaar 1964 werden tussen Bokhoven en Hedikhuizen
grondboringen verricht om de dikte van de aanwezige leemlaag vast te stellen.
Er lag namelijk een plan op tafel om daar een steenfabriek te bouwen. Op 7 juli
van genoemd jaar kwamen bij die boringen stukjes baksteen naar boven, wat de
verwondering wekte bij hem, die de boringen verrichtte, omdat hij zich op dat
moment buiten de bebouwde kom en midden in een weiland bevond. Om het raadsel
op te lossen klopte hij aan bij de toen ter plaatse wonende pastoor van
Bokhoven, de schrijver van dit artikel, met de vraag, of er iets bekend was
over vroegere bewoning van de plaats waar het puin omhoog was gehaald. Ik
haalde toen de oudste kadasterkaart van Bokhoven voor de dag. Daarop had
pastoor P. Breugelmans met potlood de grondtrekken
van een huis getekend. Hij was, evenals een eerdere pastoor, J.H. van Roosmalen
(1835-1869), die zich veel met de geschiedenis van zijn parochie heeft bezig
gehouden, de mening toegedaan, dat daar het kasteel Bokhoven oorspronkelijk had
gestaan. Van archeologisch onderzoek was nooit iets gekomen.
Enige
jaren na de Tweede Wereldoorlog was men vanuit het klooster Onsenoort
te Nieuwkuijk zich gaan bezighouden met heemkunde in
de regio Heusden en omgeving. Pater Tarcisius van Schijndel wist
enige jongeren hiervoor te interesseren. Onder hen was een Cor
de Gouw, die zich oefende in bodemonderzoek met behulp van een wichelroede. Op
20 mei 1951 meende hij de aanwezigheid van fundamenten gevonden te hebben in
het weiland, de Eerste Zaaiwaard genoemd, no. 12 volgens de kadasterkaart van
1832.
Ook de
pastoor van Bokhoven, Piet Breugelmans, toonde
belangstelling voor het werk van de heemkundekring. De Heer A.A.M. Veltman, die toen te 's-Hertogenbosch woonde en een ervaren
wichelroedeloper was, werd erbij gehaald. Hij constateerde, dat er inderdaad de
funderingen van twee oude bouwwerken aanwezig waren. Dit geschiedde op 24 juni
1951, het jaar waarin de eerste nummers van het heemkundig
tijdschrift Met Gansen Trou
verschenen. Hij bracht zijn bevindingen op 1 september in tekening en
stuurde die drie dagen later naar pastoor Breugelmans.
De bedoeling was, zoals de heer Veltman toen schreef,
om ter plaatse enkele boringen te verrichten en/of een sleuf te graven om
bevestiging te vinden van wat zijn wichelroede had ontdekt. Voor zover bekend
is er toen verder niets van gekomen.
Pas ruim dertig jaar later kwam daarin plotseling verandering. In 1984
besloot de stadsarcheoloog van 's-Hertogenbosch, waartoe Bokhoven sinds 1971
behoorde, Drs. H.L.Janssen, toch eens een proefonderzoek te beginnen. Men vond
toen de
|
|
funderingen
van een stenen huis uit de vijftiende eeuw. Het bleek, wat men zou mogen
noemen, een edelmanshuis te zijn geweest. In het
terrein waren de sporen nog duidelijk zichtbaar van de grachten, die het
hadden omgeven. Maar van een versterkt kasteel was geen sprake. Veel vondsten
in de onmiddellijke omgeving wezen er bovendien op, dat het huis niet langbewoond is geweest. Winst was in ieder geval, dat het
vermoeden, dat het dorp vóór het jaar 1500 ongeveer een kilometer meer naar
het westen zou hebben gelegen, door de vondst nader werd bevestigd. Maar dat
daar ook het kasteel, de kerk en de pastorie zouden hebben gestaan, is nog
niet aangetoond. De funderingen, die voor de dag kwamen bij de opgravingen tussen Bokhoven
en de steenfabriek van Hedikhuizen. Foto: Felix Janssens. Brabants
Dagblad. |
Drie jaar
later heeft men het opgravingswerk in de omgeving van
de eerdere vondst voortgezet, maar zonder resultaat. Men zou veel zuidelijker enige
sleuven moeten graven in en bij het perceel, dat vroeger de Konijnenberg werd
genoemd. De genoemde wichelroedeloper had, naar zijn mening, de restanten van
een echt versterkt bouwwerk met grote nauwkeurigheid kunnen vaststellen. De
ruilverkaveling, die in 1961 in Heusden-Vlijmen was
begonnen, heeft sindsdien veel verstoord. Massa's puin zijn toen in de
aanwezige diepe sloten gestort. Alles is daarna geëgaliseerd en oculaire inspectie geeft geen enkel houvast meer.
Tijdens
het tweede proefonderzoek in 1987 is men tegelijkertijd op het zuidelijke deel
van het huidige kasteelterrein, dat gelegen is langs de parochiekerk van
Bokhoven, archeologisch onderzoek gaan verrichten. En met succes. Heel het
terrein werd afgegraven en de volledige fundering van het eigenlijke kasteel
met zijn enorme toren kon worden blootgelegd. Het was een waardevolle
ontdekking. Want men kon vaststellen, dat het kasteel volgens een tevoren
gemaakt plan was opgetrokken. Wat een uitzondering schijnt te zijn. De bekende kastelen-archeoloog, J. Renaud,
heeft dit tot zijn grote voldoening kunnen constateren. "Bokhoven, balsem
op de ziel van een soms moegestreden archeoloog" schreef hij aan het slot
van zijn verhaal over het kasteel van Bokhoven in het Bulletin van de K.N.O.B.
De vraag kwam
nu onmiddellijk naar voren: wanneer is men met de bouw van dit kasteel
begonnen, om daaruit te kunnen concluderen, wie de bouwheer
is geweest. Zowel de stadsarcheoloog als de heer Renaud
houden het er op, dat het kasteel teruggaat tot de
tweede helft van de veertiende eeuw. We staan dan voor de keuze tussen twee
heren van Bokhoven, Giselbertus Coc,
ridder, zoon van Ricoldus, ridder en Jan Oem, zoon van Claes van Arkel. Van Giselbertus Coc is de brief bewaard gebleven, die hij op 23 juli 1363
heeft geschreven aan Engelbertus, de bisschop van
Luik. Bokhoven viel toen, zowel kerkelijk als wereldlijk, onder de prinsbisschop van Luik. In dit schrijven vraagt hij de
fundatie van de kapel goed te keuren, die de bewoners van Bokhoven begonnen
waren te bouwen. Het priesterkoor was reeds
klaargekomen, zodat er diensten in konden geschieden. Bovendien hadden ze ten
behoeve van de kapelaan zes-en-een-halve morgen land
geschonken, gelegen niet ver van de westelijke grens van de heerlijkheid
Bokhoven. Dit land lag naast twaalf morgen land, die Giselbertus
Coc samen met de edelvrouwe
Geertruid van Stein, vrouwe
van Limburg, bezaten. Er is reden om aan te nemen, dat
Geertruid de stiefmoeder
van Giselbertus was, en dat dus zijn vader met deze Geertruid een tweede huwelijk was aangegaan. De ligging van
de beide stukken land bevestigen opnieuw, dat het zwaartepunt van Bokhoven in
ver verleden tijden in westelijke richting moet worden gezocht. Daar bezat de
kerk van Bokhoven nog tot aan de ruilverkaveling verscheidene kleine
perceeltjes land tot dicht bij de plaats, waar in 1984 het proefonderzoek werd
uitgevoerd. Dat Giselbertus Coc
daar in de buurt ook zijn versterkt huis heeft gehad, en dat daar ook de kapel
is gebouwd, is alleszins aannemelijk. Ridder Giselbertus
is kort na de fundatie van de kapel gestorven, waarna de heerlijkheid Bokhoven
terugkeerde in de familie Van Herlaer.
Uit een
oorkonde van 16 oktober 1365 weten we, dat Arent van Herlaer, heer van Ammerzoden,
ridder, de heerlijkheid en de tienden van Bokhoven met wat er verder nog bij
hoorde heeft verkocht aan zijn neef Jan Oem, zoon van
Claes van Arkel. Van een
kasteel is daarbij geen sprake. De hiervoor genoemde Geertruid
heeft op 8 november 1368 haar in Bokhoven achtergebleven bezit aan dezelfde Jan
Oem overgedragen.
Jan Oem is tot 1398, dus gedurende drie-en-dertig
jaar, heer van Bokhoven gebleven. Hij komt in aanmerking als de bouwheer van het kasteel van Bokhoven. Tijdens zijn verblijf
in Bokhoven hebben de bewoners met succes stappen ondernomen, om de kapelanie tot zelfstandige parochie door de bisschop van
Luik te laten verheffen. Dit geschiedde in 1369 met goedkeuring van alle
daarbij betrokken instanties.
In zijn
kasteel heeft Jan Oem voor zichzelf en zijn familie
een kapel laten inrichten met een eigen daaraan verbonden rector. De
goedkeuring van de bisschop van Luik is van 9 mei 1392. Jan Oem
heeft in dit stuk de titel van wapendrager of schildknaap en er is
uitdrukkelijk sprake van de oprichting van een altaar in "zijn"
kasteel. Een echte afzonderlijk kapel zal het niet
zijn geweest. Want in 1624, dus nog geruime tijd voor het jaar 1672, toen
"de Gallische haan op het kasteel van Bokhoven ook al eens de rode haan
had laten kraaien", zoals de heer Renaud het zo
mooi weet te schrijven, werd naar aanleiding van de dood van Engelbert I van Immerseel, baron
van Bokhoven, een inventaris opgemaakt van alles wat er in het kasteel en de
voorburcht aanwezig was. Alle vertrekken worden daarin opgesomd. Er is wel
sprake van een pastoorskamer, maar van een kapel wordt met geen woord gerept.
Die pastoorskamer was voor de pastoor van de parochiekerk, die in moeilijke
tijden op het kasteel een veilig onderdak vond. Zo weten we, dat pastoor Paulus van den Dael na het
Twaalfjarig Bestand uit veiligheidsoverwegingen zijn pastorie verliet en een
kamer in het kasteel betrok. Een hoofdstuk van de inventaris is gewijd aan het
in het kasteel aanwezige zilverwerk. Daarin worden genoemd een zilveren
wijwatervat en een vergulden kelk. Maar er staat bij vermeld, dat deze
kerkelijke voorwerpen toebehoren aan de kapel van het "huis van Ramayen". Ook in de lange lijst van in het huis
aanwezige boeken komt geen missaal of ander rechtstreeks voor de eredienst
bestemd boek voor.
Archeologisch
onderzoek, ook van de voorburcht en van de overgebleven buitenmuur en
toegangspoort, wordt voortgezet. Binnen afzienbare tijd zal
een vakkundige studie verschijnen over het kasteel van Bokhoven van de hand van
de in Engelen woonachtige Rob Gruben. Hij zal
ongetwijfeld vele nadere bijzonderheden weten te melden.
G.M. van
der Velden o.praem.