Johannes de Beijer, pastoor van Bokhoven van c.
1392 tot 1417
door G. M. van der Velden, past. em.
van Bokhoven, MGT 1977, pp 126 t/m 128
|
Zeger van Herpt, de
eerste pastoor van Bokhoven, werd opgevolgd door Johannes
de Beijer. Evenals zijn voorganger was hij een seculier priester. Pas de zesde pastoor Johannes Diederiks, was een lid
van de abdij van Berne. Wel had de abt van deze
abdij vanaf de oprichting van de parochie, krachtens
het zogenaamde patronaatsrecht, de mogelijkheid een priester naar zijn keuze,
ofwel uit zijn eigen kloostergemeenschap, ofwel van elders, voor te dragen
voor het vervullen van het pastoorsambt in Bokhoven. Hij was, wat men noemt,
de collator, aan wie het begevingsrecht toekwam.
Voor wat de parochie van Bokhoven aangaat deed hij dat in overleg met de
pastoor van Hedikhuizen, die
ook bepaalde rechten over Bokhoven bij de oprichting van deze parochie had
behouden. Bokhoven behoorde als territorium immers aanvankelijk tot de
parochie Hedikhuizen en de kerk van Hedikhuizen geldt als de moederkerk van Bokhoven. De
rechten van de abt van Berne krachtens
zijn patronaatsrecht en van de pastoor van Hedikhuizen
beperkten zich ten overstaan van Bokhoven niet tot
de benoeming van een nieuwe pastoor. Ook rechten op tienden in Bokhoven en Hedikhuizen hadden hiermee te maken. Reeds na de dood van de tweede pastoor van
Bokhoven, Johannes de Beijer,
in 1417 bleek het nodig het bestaan van dit patronaatsrecht en van het
begevingsrecht daarin opgesloten weer eens uitdrukkelijk notarieel vast te
leggen. |
Deze notariële akte volgt hieronder in
bijlage 1 in een Nederlandse vertaling, want het stuk is, zoals toen in clericale kringen vooral gebruikelijk was, in het Latijn
opgesteld. Behalve uit dit dokument is de tweede
pastoor van Bokhoven nog bekend uit een ander charter uit het begin van zijn
pastoraat. In 1392 heeft de toenmalige wereldlijke heer van Bokhoven, Jan Oem van Arkel, schildknaap, in
zijn kasteel een kapel ingericht en daarin een altaar willen stichten,
toegewijd aan de H.H. Lambertus en Martinus. Daarvoor had hij de goedkeuring nodig
van de bisschop van Luik, want Bokhoven viel in die tijd onder dat bisdom. In
die dagen was Jan van Beieren elect van Luik. De f undatiebrief is van 9 mei 1392. Behalve van de bisschop
van Luik was voor eerst nog de instemming nodig van de aartsdiaken van Kempenland, waaronder Bokhoven ressorteerde,
en vervolgens van de pastoor van Bokhoven. En dat was toen Johannes de Beijer. Zodoende
bezit het parochiearchief van Bokhoven een origineel dokument,
waarin hij instemt met de stichting van het altaar in de kasteelkapel, mits
zijn rechten onaangetast blijven en de heer van Bokhoven uit zijn eigen
middelen de priester onderhoudt, die hij voor het lezen van de H. Missen op
dat altaar zal voordragen. De tekst van deze oorkonde volgt hieronder als
bijlage 2, wederom in Nederlandse vertaling. Verder is er, nóch in het
parochiearchief, nóch in het abdijarchief, enige nadere informatie te vinden. |
|
Bijlage 1. In de naam des Heren. Amen. |
Bijlage 2 |
|
|
Door dit voorliggend openbaar dokument
moge het voor eenieder duidelijk zijn, dat in het jaar 1417 na de geboorte
des Heren, op de tiende dag van de lopende indictie, op de eerste dag van de
maand juni, 's middags ongeveer na de gezongen vespers, toen de Apostolische
Stoel vakant was of anders gezegd haar herder
miste, in tegenwoordigheid van mij, openbaar notaris; en van de
ondergetekende getuigen, die hiertoe speciaal geroepen en gevraagd zijn, en
ten overstaan van de terw. Meer en Mr. Gerard Zegers, pastoor van Ëcken en Méduwen, officiaal
van de proost van Arnhem in het land van Heusden
behorend tot het bisdom Utrecht, voor het onderhavige geval persoonlijk
aangewezen, de Eerw. Vader in Christus, de Heer Godescaldus van Veen, door Gods lankmoedigheid abt van
het klooster van de H. Maria van Berne, van de
Premonstratenzer Orde, gelegen binnen net hierboven reeds
genoemde bisdom Utrecht, wettig voor deze aangelegenheid opgeroepen o m voor
de genoemde officiaal van de proost van Arnhem in
het land van Heusden te verschijnen, ongedwongen,
vrijelijk en uitdrukkelijk onder ede heeft bekend, openlijk en in het
openbaar verklaard, en als in een rechtsgeding getuigd, dat hij als degene
aan wie het waarlijk toekomt o m samen met de pastoor van Hedikhuizen
de pastoor aan te wijzen van de parochiekerk of kapel van Bokhoven, die tot
het bisdom Luik behoort, gedurende vele jaren vóór de dood of het overlijden
van wijlen heer Johannes, genaamd de Beijer, tijdens zijn leven pastoor te Bokhoven, en nu
nog, bij zich heeft gehad en in zijn bezit heeft gehouden, en ook op de
huidige dag nog onder zich houdt en onder zijn hoede bewaart verscheidene
brieven, die de heer abt en zijn hierboven genoemd klooster en ook de
tijdelijke pastoor van Bokhoven raken, en die ook de rechten van de heer abt
persoonlijk en van zijn klooster, zoals hij heeft beweerd, en bovendien de
inkomsten en rechten van de reeds genoemde kerk of
kapel van Bokhoven aangaan, ten dienste van zichzelf ais de ware collator zoals beweerd wordt, o m zijn recht en dat van
zijn genoemd klooster, en ook het recht van bovenvermelde kerk of kapel van
Bokhoven en van diens tijdelijke pastoor in stand te houden, zoals hij |
eveneens bij zich en
onder zijn schutse gedurende vele vervlogen jaren
heeft gehad en nog heeft tot op heden gelijkluidende brieven, die zijn
rechten en van zijn genoemd klooster en eveneens van de andere kerken en
kapellen, welke onder zijn begevingsrecht vallen,
betreffen, en ten dienste staan van zichzelf als de ware collator
van haar, tot behoud van zijn recht, van de rechten van zijn klooster en van
de zojuist vermelde kerken of kapellen, en van haar pastoors of rectoren; en
bovendien ten nutte van allen en van elk afzonderlijk wie dit aangaat, of hoe
dan ook in de toekomst kan aangaan, o
m hun recht en van elk van hen te handhaven. Met betrekking tot al
deze voorgaande zaken en tot elk afzonderlijk heeft heer Lambertus
van Waalwijk, regulier kanunnik van het klooster van de H. Maria van Berne, pastoor van Oudheusden
van het bisdom Luik, die aanwezig was en de voorgaande besprekingen
heeft zien gebeuren en heeft gehoord, gevraagd, dat door mij ondergetekende,
openbaar notaris, voor hem een officiële akte zou worden opgemaakt. Deze zaken zijn
afgehandeld in het genoemde klooster van de H. Maria van Berne,
in de ontvangkamer van genoemde heer abt, in tegenwoordigheid aldaar van de achtenswaardige en
voorname heren, Gerardus genaamd Doern, kanunnik van Heusden,
priester, van Johannes Reinders,
schoenmaker, en Henricus zijn zoon, en van Robertus van 's-Hertogenbosch, getuigen hiertoe speciaal
opgeroepen en uitgenodigd. En ik, Reinerus Claessen van Ecken, clericus van het bisdom Utrecht, op keizerlijk
gezag aangesteld openbaar notaris, ben aanwezig geweest, toen al de hierboven
vermelde zaken en eik afzonderlijk zoals hierboven beschreven in
tegenwoordigheid van de genoemde officiaal zijn
geschied en afgehandeld, tesamen met hem en met de
hierboven genoemde getuigen; en nadat ik gezien en gehoord heb, dat alles
aldus is voorgevallen, heb ik op uitdrukkelijk verzoek dit officieel en
eigenhandig geschreven stuk opgemaaKt en van mijn
gebruikelijk herkenningsteken voorzien tot getuigenis der waarheid van alle
bovenstaande zaken en van elk afzonderlijk. |
Aan allen die deze
brief zullen inzien wens ik, Johannes, genaamd de Beijer, priester en rector van de
parochiekerk van Bokhoven behorend tot het bisdom Luik, het ware heil in
Christus met aantekening van de waarheid van het voorafgaande. Aangezien de edelgestrenge man jonker Johannes
Oem, tijdelijk Heer van Bokhoven, ontstoken van
vrome ijver, verlangt en het plan heeft, om tot eer van de almachtige God en
van de heilige en glorievolle maagd Maria en van heel het hemelse hof, en vooral
ter ere van de heiligen Lambertus martelaar en Martinus belijder, in zijn kasteel van Bokhoven, gelegen
binnen de grenzen van mijn reeds genoemde parochie,
een altaar te stichten en te laten consacreren, en dit op voldoende wijze te
begiftigen met goederen, die hem door God zijn geschonken, voor een
tegemoetkoming in de levensbehoeften en kleding van één priester die daar ten
eeuwigen dage in dienst zal zijn, zoals hij hét reeds
begiftigd heeft door voldoende goederen aan te wijzen en over te dragen die
bestemd zijn voor de aanwezige rector van dat altaar, daarom is het begrijpelijk
dat ik, die wens dat de lofwaardige toewijding van de genoemde jonker Johannes als stichter en zijn goed voornemen en de
vermeerdering van de goddelijke eredienst tot de gewenste verwezenlijking
komen, aan bovengenoemde jonker Johannes ais stichter
en aan zijn opvolgers zowel mijn instemming als ook mijn toestemming geef tot
de hierboven vermelde stichting en
begiftiging van genoemd altaar en tot het recht om daarvoor een geschikte
persoon voor te dragen, mits evenwel het recht van
mijn genoemde kerk voor mij en voor mijn opvolgers steeds behouden en
onverlet blijft. Tot getuigenis van deze
aangelegenheid heb ik mijn eigen zegel aan deze brief laten aanbrengen. Gegeven in het jaar na
's Heren geboorte 1392, op de 16-de dag van de
maand mei. |